Resultaten verantwoordingsonderzoek 2018 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De Algemene Rekenkamer heeft onderzoek gedaan naar het Jaarverslag 2018 en de bedrijfsvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Onze conclusies

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft in 2018 te weinig aandacht besteed aan risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen van de sociale zekerheid. De minister geeft sturing aan en houdt toezicht op de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Maar door bezuinigingen en de sterke toename van het aantal aanvragen van een werkloosheidsuitkering in de afgelopen jaren lag de nadruk op het op peil houden van de dienstverlening en minder op het signaleren, voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Zo vroeg de minister niet structureel om inzicht in de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik, de maatregelen die de SVB en UWV hiertegen nemen en welke risico’s dan nog overblijven. Daardoor kon hij het parlement hierover ook niet informeren. Bij de besluitvorming over de ontwerpbegroting van de minister van SZW kon het parlement dan ook niet toetsen welke afweging de minister maakt tussen (aan de ene kant) doelen, inzet van publieke middelen en het niveau van dienstverlening, en (aan de andere kant) het bestrijden van risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik. Daarnaast blijft het zo voor het parlement onduidelijk wat de gevolgen zijn van intensiveringen of bezuinigingen voor het beleid van de minister.

Informatiepositie parlement

In eerdere verantwoordingsonderzoeken en brieven met aandachtspunten bij de ontwerpbegroting van de minister van SZW hebben we aandacht gevraagd voor het versterken van de informatiepositie van het parlement over de sociale zekerheid en arbeidsmarkt. Een voorbeeld is het re-integratiebudget waarmee UWV arbeidsondersteuning biedt aan uitkeringsgerechtigden. Bij dit onderwerp constateerden we vorig jaar dat de minister van SZW de informatiepositie van het parlement kan versterken door uitgaven te koppelen aan resultaten.
Iets soortgelijks zien we voor persoonlijke dienstverlening aan mensen met een uitkering op basis van de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Ook hierbij zou de minister van SZW het parlement meer inzicht moeten geven in de doelen, middelen en resultaten in zijn begroting en jaarverslag. Verder constateren we dat informatie over de financiering van het Ouderdomsfonds, waaruit de AOW wordt betaald, verspreid staat over meerdere beleidsartikelen en bijlagen van de begroting en verantwoording van de minister van SZW. En dat de minister deze informatie niet altijd voorziet van een duidelijke toelichting. Hierdoor is het lastig voor het parlement om een compleet beeld te krijgen van de premie- en begrotingsgefinancierde geldstromen waarmee de minister het Ouderdomsfonds financiert en waaruit de uitkeringen aan AOW-gerechtigden worden betaald.

Aanbeveling

We bevelen de minister van SZW aan om met het parlement te bespreken welke informatie Kamerleden wanneer nodig hebben om besluiten te kunnen nemen over de inzet van publieke middelen voor de sociale zekerheid bij de ontwerpbegroting 2020. De minister zou zijn informatie aan het parlement en de tijdigheid daarvan op deze informatiebehoefte moeten afstemmen. Onze suggestie is dat de minister van SZW, bij wijze van eerste stap, in zijn ontwerpbegroting 2020 voorstellen doet voor betere informatie aan het parlement over de dienstverlening aan WGA-gerechtigden, de afwegingen voor het beheersen van risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik van werkloosheidsuitkeringen en inzicht in de financiering van het Ouderdomsfonds en betalingen daaruit aan AOW-gerechtigden. In ons rapport doen we concrete voorstellen hiervoor.

Sturing en toezicht op de uitvoering van beleid

De minister van SZW is voor het bereiken van zijn beleidsdoelen afhankelijk van organisaties op afstand van zijn ministerie, die zijn beleid uitvoeren. Dat zijn vooral de zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) SVB en UWV, die socialezekerheidsregelingen uitvoeren, en de Belastingdienst/Toeslagen die het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag uitvoert.
Er zijn ook organisaties die beleid uitvoeren onder de directe verantwoordelijkheid van de minister van SZW.
We concluderen dat de minister van SZW de aansturing van en het toezicht op uitvoerders van zijn beleid moet versterken. Niet alleen om tekortkomingen in de bedrijfsvoering te voorkomen of sneller op te merken. Maar ook om zich beter te kunnen verantwoorden aan het parlement over de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van zijn beleid.

Zo maakte de minister van SZW in 2018 nog niet duidelijk aan de SVB en UWV op basis van welke strategische vraagstukken en risico’s hij sturing wil geven en toezicht wil houden. Ook constateren we dat de minister nog onvoldoende zicht heeft op de afwegingen die de SVB en UWV maken, bijvoorbeeld over het niveau van dienstverlening en handhaving inclusief fraudebestrijding. Dit betekent dat hij het parlement nog onvoldoende kan informeren over welke mensen en middelen nodig zijn om zijn beleidsdoelstellingen te halen. Inmiddels heeft de fraude met WW-uitkeringen duidelijk gemaakt dat de minister zijn sturing en toezicht op de SVB en UWV moet versterken door meer aandacht te geven aan strate gische risico’s en vraagstukken, zoals het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik.
We realiseren ons dat de opgave voor de minister om sturing te geven aan en toezicht te houden op de SVB en UWV groot is. Immers, de SVB en UWV voeren hun taken uit voor miljoenen Nederlanders op basis van een ingewikkelde bedrijfsvoering, die moet passen bij een uitgebreid geheel van wet- en regelgeving binnen de sociale zekerheid (Algemene Rekenkamer, 2018a). De toekomstverkenning die de regering uit gaat voeren naar de uitvoering van sociale zekerheid, opvolging van de motie-Wiersma-Van Dijk (Tweede Kamer, 2019), en de aanstaande evaluatie van de Wet Suwi, bieden de kans om de (on) mogelijkheden van sturing en toezicht op grote uitvoeringsorganisaties als SVB en UWV mee te nemen.

Ook voor de uitvoering van beleid door organisaties die direct onder de verantwoordelijkheid van de minister vallen, geldt dat de minister zijn strategische sturing en informatiepositie moet versterken. Het financieel beheer bij de Rijksdienst Caribisch Nederland-unit SZW (RCN-unit SZW) kan bijvoorbeeld alleen op orde gebracht worden als de IT-applicaties het verstrekken van uitkeringen beter ondersteunen.

Daarnaast constateren we dat er problemen zijn ontstaan in het financieel beheer van de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO). Verder adviseren we de minister van SZW ook meer aandacht te besteden aan het verbeteren van de doelmatigheid van het Financieel Dienstencentrum, dat voor 5 departementen een deel van de financiële administratie verzorgt.

Tot slot vragen we aandacht voor de problemen die zijn ontstaan bij het uitbetalen van het kindgebonden budget door de Belastingdienst/Toeslagen. Hierdoor hebben in de periode 2008–2019, naar schatting van de staatssecretaris van SZW, ongeveer 300.000 tot 400.000 ouders onterecht geen kindgebonden budget ontvangen. Over 2018 gaat het om een bedrag van € 86 miljoen en om gemiddeld € 1.000 per ouder (SZW, 2019a).

Aanbevelingen

We bevelen de minister van SZW aan om de sturing van en het toezicht op de uitvoering van zijn beleid en zijn bedrijfsvoering te versterken. Dat geldt zowel voor uitvoeringsorganisaties op afstand als voor organisaties onder zijn directe verantwoordelijkheid. De minister kan dit doen door uit te gaan van strategische vraagstukken en risico’s, die hij samen met de uitvoeringsorganisaties identificeert en weegt. Verder raden we de minister aan het toezicht te versterken door zelfstandig informatie te verzamelen en daarmee te voorkomen dat hij te afhankelijk wordt van informatie die uitvoeringsinstellingen zelf aanleveren.

Persoonlijke dienstverlening WGA

De minister van SZW stelt als doel zo veel mogelijk mensen die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn aan het werk te helpen en te houden. Het kabinet stelt € 10 miljoen per jaar extra beschikbaar voor dienstverlening door UWV. Hiermee, is het doel, kan UWV alle mensen met een WGA-uitkering in beeld krijgen en houden en ondersteunen bij het vinden van werk. We betwijfelen of de minister dit doel kan bereiken met de extra inzet van € 10 miljoen per jaar, boven op de structurele middelen voor de dienstverlening aan WGA-gerechtigden. We zien namelijk dat UWV in het verleden er niet in geslaagd is alle WGA-gerechtigden in beeld te krijgen en te houden – ondanks extra geld en afspraken over de dienstverlening WGA. Ter illustratie: van alle mensen die in 2017 zijn ingestroomd in de WGA, heeft per oktober 2018 54% een eerste gesprek gehad met UWV. Het ontbreken van persoonlijk contact – als onderdeel van de dienstverlening – maakt het ook lastig om de rechtmatigheid van de uitkeringen van deze mensen vast te stellen.

De minister van SZW werkt samen met UWV aan experimenten, die het inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van de dienstverlening WGA moeten verbeteren. Wij zien de experimenten als een positieve ontwikkeling.

Aanbevelingen

We bevelen de minister van SZW aan om zo snel mogelijk in 2019 met de experimenten te starten, om kennis op te bouwen over de relatie tussen dienstverlening, kenmerken van WGA-gerechtigden en werkhervatting. Verder bevelen we de minister van SZW aan om de experimenten ook te benutten om inzicht te krijgen in de kosten van de dienstverlening aan WGA-gerechtigden.

Oordelen over de bedrijfsvoering en het jaarverslag

De informatie in het Jaarverslag 2018 van het Ministerie van SZW is rechtmatig en is deugdelijk weergegeven. De bedrijfsvoeringsinformatie en de informatie over het gevoerde beleid in het Jaarverslag 2018 is deugdelijk tot stand gekomen en voldoet aan de verslaggevingsvoorschriften. We handhaven de onvolkomenheid voor het financieel beheer bij de RCN-unit SZW, de onvolkomenheid in het financieel beheer van de RSO is nieuw.

Verder in het rapport

In de volgende hoofdstukken werken we de conclusies verder uit:

  • Hoofdstuk 2, ‘Feiten en cijfers’: hierin geven we een korte beschrijving van het Ministerie van SZW en de omvang van het begrotingshoofdstuk waarover wij ons oordeel geven.
  • Hoofdstuk 3, ‘Financiële informatie’: hierin geven wij ons oordeel over de financiële informatie in het Jaarverslag 2018 van het Ministerie van SZW. Wij hebben vastgesteld dat de financiële verantwoordingsinformatie op totaalniveau rechtmatig, betrouwbaar en ordelijk is. Op artikelniveau is ons oordeel dat de financiële verantwoordingsinformatie rechtmatig, betrouwbaar en ordelijk is en voldoet aan de regels voor het inrichten van de jaarverslagen met uitzondering van 4 gevallen waarin de tolerantiegrens is overschreden door tekortkomingen in het financieel beheer van de RCN-unit SZW.
  • Hoofdstuk 4, ‘Bedrijfsvoering’: hierin geven wij ons oordeel over de bedrijfsvoering van het Ministerie van SZW. In 2018 zijn er 2 onvolkomenheden. In dit hoofdstuk staan ook belangrijke risico’s en aandachtspunten over de bedrijfsvoering, waaronder de werking van toezicht op de SVB en UWV en de informatiebeveiliging. De bedrijfsvoeringsinformatie in het Jaarverslag 2018 is deugdelijk tot stand gekomen en voldoet aan de verslaggevingsvoorschriften.
  • Hoofdstuk 5, ‘Beleidsresultaten’: hierin bespreken wij de conclusies uit ons onderzoek naar de persoonlijke dienstverlening aan WGA-gerechtigden door UWV. Verder gaan we in op de aanbeveling die we vorig jaar hebben gedaan om de informatie over het re-integratiebudget te verbeteren. De informatie over het gevoerde beleid in het Jaarverslag 2018 is deugdelijk tot stand gekomen en voldoet aan de verslaggevingsvoorschriften.
  • Hoofdstuk 6, ‘Buiten de Rijksrekening’: in dit hoofdstuk bespreken we het inzicht in de begrotings- en premiegefinancierde geldstromen van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid en de mogelijkheden van het parlement om invloed uit te oefenen op de hoogte en inzet van deze gelden. We illustreren dit aan de hand van de financiering van het Ouderdomsfonds en betalingen daaruit aan AOW-gerechtigden.
  • Hoofdstuk 7, ‘Reactie van de minister en nawoord Algemene Rekenkamer’. De reactie van de minister van SZW hebben we op 23 april 2019 ontvangen. Hij geeft in zijn reactie aan dat hij het belang van een goede informatievoorziening aan het parlement met ons deelt en de verbetersuggesties waardeert die wij doen. Hij licht toe hoe hij van plan is de voorstellen ter verbetering in te vullen. Alleen over het aantal mensen in de WGA dat in beeld is bij UWV, is hij het oneens met de constatering van de Algemene Rekenkamer. In ons nawoord gaan we hier nader op in.