Wat draagt Nederland bij aan en wat ontvangt Nederland van de EU?

De EU wordt grotendeels (circa 95 procent) gefinancierd door de EU-lidstaten. In 2018 bedroegen de EU-ontvangsten en -uitgaven in totaal bijna € 160 miljard. Het belangrijkste deel van deze middelen wordt ingezet om samen met de lidstaten bepaalde doelen te realiseren.

Op deze wijze vloeit het grootste deel van de middelen via EU-subsidies weer terug naar de lidstaten; ongeveer 80 procent van de middelen gaat naar de fondsen die de EU samen met de lidstaten beheert. De omvang van de geldstromen van en naar de lidstaten varieert per lidstaat. Dit is vooral afhankelijk van de relatieve welvaartspositie en de doelstellingen van de diverse EU-fondsen.

Een zevenjarig kader

De jaarlijkse EU-begroting moet passen binnen de afspraken die de lidstaten maken over het zogeheten Meerjarig Financieel Kader (MFK). Dit kader legt voor een periode van minimaal vijf, maar meestal zeven jaar vast wat de omvang van de begroting mag zijn, hoe de middelen over de EU-prioriteiten worden verdeeld, en hoeveel de verschillende lidstaten daaraan moeten bijdragen. Het meerjarig financieel kader bepaalt in belangrijke mate wat lidstaten in de komende jaren gaan ontvangen en bijdragen. De onderhandelingen daarover zijn taai en daarom meestal langdurig.

Jaarlijkse EU-begroting

Het MFK wordt uitgewerkt in een jaarlijkse EU-begroting die door de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement moet worden geaccordeerd. Met de EU-begroting van 2020 is bijna € 169 miljard gemoeid.

Nederland en de EU-begroting

De Nederlandse afdrachten voor de EU-begroting worden geraamd en verantwoord op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor 2019 bedroegen de afdrachten van Nederland  circa € 8,4 miljard (na aftrek van de vergoeding voor de lidstaat voor douaneheffing en invordering). De inkomsten via de fondsen in gedeeld beheer waren ongeveer € 1,2 miljard.  

Nederland is sinds midden jaren negentig een ‘nettobetaler.’ Dat betekent dat Nederland meer bijdraagt aan de EU dan het ontvangt.

Discussie over netto-positie van Nederland: welke definitie wordt gehanteerd?

Bij de discussies over het MFK en de jaarlijkse begroting gaat er altijd veel aandacht uit naar de vraag hoe de rekensom over afdrachten van Nederland aan de EU enerzijds, en ontvangsten van Nederland vanuit de EU anderzijds, per saldo uitpakt. Dit saldo leidt tot de ‘netto betalingspositie’.

Complicerende factor daarbij is dat er een verschil van inzicht is tussen Nederland en de EU over de omvang van die netto betalingspositie. Dat verschil wordt mede veroorzaakt door de definitie die voor de nationale bijdrage moet worden gehanteerd. Nederland rekent bij deze afdrachten de zogeheten douaneheffingen helemaal mee. Dat zijn de heffingen die de lidstaten in opdracht van de EU in rekening brengen bij import van goederen naar de EU. Door het relatief grote belang van invoer van goederen via de Rotterdamse haven zijn deze douaneheffingen in Nederland aanzienlijk. De Europese Commissie beschouwt deze douaneheffingen echter niet als afdrachten van de lidstaat. Zij maken volgens de Commissie onderdeel uit van wat ook wel de ‘traditionele eigen middelen’ worden genoemd.

De lidstaten die aan de buitengrens van de EU liggen berekenen invoerheffingen voor de goederen die van buiten de EU worden ingevoerd, maar doen dat in deze benadering  ten behoeve van de EU. Deze lidstaten ontvangen voor de kosten die zijn gemoeid met de heffing en invordering (de zogeheten perceptiekosten) een vergoeding (20 % van de heffing).  De EU betrekt de traditionele eigen middelen dan ook niet bij de berekening van de netto-betalingspositie. Nederland heeft een andere benadering en rekent de netto-douaneheffingen, dat wil zeggen na aftrek van de perceptiekosten, wel tot de afdrachten aan de EU omdat het geen middelen zijn die automatisch ontstaan vanwege het communautaire beleid.

In 2019 omvatten de douaneheffingen met € 2,7 miljard circa een derde van de Nederlandse afdrachten.

Overigens is Nederland onder beide definities nettobetaler, maar de mate waarin verschilt aanzienlijk. In 2012 liet de Algemene Rekenkamer zien hoe de berekeningen volgens de twee definities voor Nederland (en de andere EU-lidstaten) uitpakken.