De Algemene Rekenkamer werkt op veel terreinen samen met de rekenkamers uit andere lidstaten van de EU en met de Europese Rekenkamer. Dit gebeurt bijvoorbeeld door gezamenlijk onderzoek te doen of door kennis uit te wisselen. Deze samenwerking vindt vooral plaats in het EU Contactcomité.
Contactcomité van presidenten van rekenkamers in de EU
De nationale rekenkamers in de EU en de Europese Rekenkamer werken met elkaar samen in het EU Contactcomité. Dit platform bestaat uit de presidenten van de rekenkamers van de 27 lidstaten en de president van de Europese Rekenkamer. Het platform is gericht op kennisuitwisseling en samenwerking op EU-gerelateerde thema’s. Eén keer per jaar komen de rekenkamerpresidenten bijeen voor een Contactcomitébijeenkomst.
Het EU Contactcomité publiceert in het geval van gezamenlijk onderzoek door leden van het Contactcomité de rapporten op haar website. Daarnaast publiceert het Contactcomité ook andersoortige uitingen. Meest recente uitingen:
- Op 17 mei 2021 bracht het Contactcomité een statement uit ter ondersteuning van de onafhankelijkheid van de rekenkamer van Cyprus.
- Op 22 juli 2021 publiceerde het Contactcomité een rapport over onderzoeken van 11 EU-rekenkamers naar het overheidsoptreden in verband met de coronacrisis.
- Vanwege de invasie van Rusland in Oekraïne publiceerde het Contactcomité op 11 maart 2022 een brief gericht aan de leden van INTOSAI (de wereldwijde vereniging van rekenkamers) met een oproep tot vrede en solidariteit met Oekraïne.
- Op 22 november 2023 publiceerde het Contactcomité een statement over de constitutionele rol, het mandaat en de onafhankelijkheid van de rekenkamer van Polen.
- Op 30 september 2025 publiceerde het Contact Comité een statement over de noodzaak tot verbetering van de externe controle van de Europese Investeringsbank (EIB).
Voor de samenwerking op specifieke thema’s zijn binnen het Contactcomité diverse werkgroepen en netwerken ingesteld.
Europese rekenkamers werken ook met elkaar samen in The European Organisation of Supreme Audit Institutions (EUROSAI). Dit is een breder verband dan alleen rekenkamer uit de EU. Hierin houden rekenkamers uit heel Europa (dat zijn er momenteel 51) contact en wisselen kennis uit. EUROSAI onderscheidt zich van het Contactcomité doordat in dit samenwerkingsverband vooral algemene (niet EU-gerelateerde) zaken aan de orde komen. EUROSAI is één van de zeven regionale onderdelen van het wereldwijde samenwerkingsverband van rekenkamers, de International Organisation of Supreme Audit Institutions (INTOSAI).
Meer informatie
- Website van het Contactcomité van presidenten van rekenkamers in de EU
- Werkgroepen en netwerken van het Contactcomité
- Covid-19: Algemene informatie - Rapport van het Contactcomité over onderzoeken van 11 EU-rekenkamers naar overheidsoptreden rond de coronacrisis
- Statement van het Contact Comité over de externe controle van de EIB
- Statement van het Contactcomité ter ondersteuning van Cypriotische rekenkamer
- Brief van het Contactcomité aan INTOSAI met een oproep tot vrede en solidariteit met Oekraïne
- Zorgen bij presidenten rekenkamers over ontwikkeling in Polen - Contactcomitéstatement over de constitutionele rol, het mandaat en de onafhankelijkheid van de rekenkamer van Polen
- Internationale samenwerking - Toelichting van de Algemene Rekenkamer bij haar beleid voor internationale samenwerking
- Website van EUROSAI
- Website van INTOSAI
Wat levert EU-geld op?
De Europese Commissie besteedt veel aandacht aan de resultaten die met EU-geld bereikt moeten worden. Van de lidstaten wordt verwacht dat zij plannen opstellen met duidelijke en meetbare doelen, dat zij bij de uitvoering de voortgang meten en dat zij tussentijds en achteraf evaluaties uitvoeren om te kijken of de resultaten behaald zijn. Het meten van resultaten is geen eenvoudige opgave. In de praktijk blijkt dan ook vooral informatie beschikbaar te zijn over de door de lidstaten geleverde prestaties, maar niet of veel minder of deze prestaties uiteindelijk ook de gewenste effecten hebben opgeleverd.
Wat leveren de Europese subsidies aan resultaat op in de EU?
De eisen die de EU stelt aan het sturen op en verantwoording afleggen over de resultaten die worden bereikt met projecten die zijn gefinancierd met EU-geld zijn opgenomen in de regelgeving. Voordat de EU geld toezegt vanuit de EU-fondsen aan de lidstaten moet eerst aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Zo stelt de EU eisen aan het maken van een probleemanalyse, aan de nationale plannen die op basis daarvan worden gemaakt, aan de doelen en indicatoren die daarin worden opgenomen en aan de verantwoording en evaluatie van de plannen.
Schematisch kan dit als volgt worden weergegeven. In de kern is dit voor alle EU-fondsen gelijk.
Uit de EU-regelgeving volgt dat de lidstaten in de nationale programma’s doelen moeten stellen in de vorm van indicatoren en de te bereiken waarden daarvan. Deze indicatoren zijn de basis voor de verantwoording over de resultaten die zijn behaald. Tijdens de uitvoering van de programma’s moeten de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de fondsen periodiek rapporteren aan de Europese Commissie over de uitgaven en de tot dan toe behaalde resultaten. Daarnaast zijn de lidstaten verplicht een tussentijdse evaluatie en een eindevaluatie uit te voeren. Ook deze evaluaties worden aan de Europese Commissie gestuurd.
Jaarlijks rapporteert de Europese Commissie over de bereikte resultaten van de programma’s in het Annual Management and Performance Report (AMPR).
Uit rapportages van de Europese Rekenkamer blijkt de afgelopen jaren dat de prestaties in de verschillende programma’s van de EU-fondsen wel worden bijgehouden maar dat de effecten niet goed in beeld zijn.
- Over de Horizon- en Connecting Europe Facility (CEF)-middelen rapporteerde de ERK in 2025 dat de indicatoren weliswaar zijn vastgesteld volgens het SMART-principe, wat betekent dat ze “specifiek”, “meetbaar”, “acceptabel”, “realistisch” en “tijdsgebonden” waren, maar dat met name de indicatoren voor de periode 2014-2020 onvoldoende gericht waren op effecten (in de woorden van de ERK: resultaten en impact) en beperkt waren tot outputindicatoren. Dat is met name voor de Horizonmiddelen verbeterd in de periode 2021-2027.
Voor zowel Horizon 2020 als de CEF 2014-2020 is de ERK van mening dat minder dan de helft van de prestatie-indicatoren aangeeft dat resultaten zijn behaald of op schema liggen. In de nieuwe periode liggen de programma’s beter op schema. Maar de ERK zegt ook dat de mate waarin de gefinancierde acties daadwerkelijk hebben voorzien in behoeften op EU-niveau niet uitsluitend kan worden beoordeeld op basis van de vraag of de indicatoren hun streefdoelen hebben bereikt. Hiervoor is namelijk een evaluatie door de Commissie nodig nadat het programma is uitgevoerd. Begin 2026 zou deze voor de periode 2014-2020 moeten worden afgerond (jaarverslag ERK (2025), p.139-157) - Over de AMIF- en MBVI-middelen (Asiel, Migratie en Grensbeheer) rapporteerde de ERK dat de indicatoren in de periode 2021-2027 zijn verbeterd omdat er meer sprake is van resultaatindicatoren in plaats van voornamelijk outputindicatoren in de periode 2014-2020. Over de voortgang op die prestatie-indicatoren voor de nieuwe periode kon de ERK nog geen uitspraken doen omdat die nieuwe periode toen net pas was gestart. Voor wat betreft de vorige periode stelde de ERK vast dat de indicatoren niet laten zien in hoeverre de gefinancierde acties in de behoeften hebben voorzien. Daarvoor zijn aparte evaluaties nodig. Deze waren nog niet uitgevoerd in 2024 (Jaarverslag ERK (2024), p. 134-144)
Een analyse van rapporten van nationale rekenkamers in de periode 2020-2025 geeft een divers beeld. Veel rekenkamers hebben in deze periode onderzoek gedaan naar de besteding van EU-geld, maar altijd naar specifieke onderdelen en/of specifieke maatregelen. Enkele recente voorbeelden:
- Oostenrijk (2024): Door het gebrek aan goede indicatoren is niet duidelijk of het 8 punten plan voor digitaal onderwijs resultaten heeft opgeleverd;
- Tsjechië (2025) De Rekenkamer van Tsjechië voert als enige EU-Rekenkamer jaarlijks een naar de wijze waarop EU-fondsen worden besteed en de resultaten die worden behaald. In haar laatste rapport stelt zij dat: “Subsidies are not concentrated in areas of strategic national interest, but are spread over a large number of projects in a wide range of areas with low added value. The dynamics of the Czech Republic’s convergence towards the EU average has slowed down compared to some countries that joined the EU in the same year”.