In 2025 werden bijna 3 miljoen Nederlanders slachtoffer van zogenoemde traditionele criminaliteit, zoals gewelds-, zeden- en vermogensdelicten. Daarnaast kreeg 17% van de bevolking te maken met één of meerdere vormen van online criminaliteit (CBS, 2026). De politie registreerde in het jaar van ons onderzoek 2024 ruim 791.000 nieuwe misdrijven.

Eén van de wettelijke taken van de politie is het opsporen van (verdachten van deze) strafbare feiten. Daarnaast handhaaft de politie de openbare orde, verleent zij hulp als mensen dat nodig hebben en verricht de politie overige taken voor justitie. In 2024 gaf de politie € 8,1 miljard uit om deze wettelijke taken uit te voeren. In dit onderzoek heeft de Algemene Rekenkamer berekend hoeveel publiek geld en personele capaciteit de politie besteedt per wettelijke taak. Daarnaast hebben wij onderzocht in hoeverre de politie bij de prioritering binnen de opsporing rekening houdt met de maatschappelijke schade die misdrijven veroorzaken.

De prioriteiten binnen de opsporing richten zich slechts deels op de ernstige misdrijven

De minister van Justitie en Veiligheid (JenV) en het Openbaar Ministerie (OM) bepalen de prioriteiten voor de opsporing. De Algemene Rekenkamer berekende aan de hand van een Crime Harm Index (CHI) of deze prioriteiten overeenkomen met de strafbare feiten die het meest ernstig zijn en dus de meeste maatschappelijke schade veroorzaken. Wij concluderen dat dit slechts deels het geval is. Zo prioriteert de minister van JenV bijvoorbeeld cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, terwijl deze strafbare feiten in de laag- of middencategorie scoren op de CHI. Hetzelfde geldt voor bepaalde heterdaad- en ondermijningszaken die het OM prioriteert, zoals winkeldiefstal en het bezit van hard- en softdrugs.

10.000 aangiften van ernstige misdrijven bleven liggen, ook die prioriteit hadden

De Algemene Rekenkamer concludeert dat de politie in 2024 ruim 10.000 aangiften van ernstige misdrijven volgens de CHI niet behandelde. Daarvan hadden er 1.600 wel prioriteit voor OM en/of minister. Geprioriteerde misdrijven die bleven liggen waren 550 geweldsdelicten, 200 zedenmisdrijven, 750 overige high impact crimes en ten slotte 100 ondermijningszaken. Er zijn ook ernstige misdrijven die niet geprioriteerd zijn, zoals 3.450 zware diefstallen en 5.050 overige misdrijven, waaronder identiteitsfraude, brandstichting en chantage.

Behandeling van aangiften van ernstige misdrijven volgens Crime Harm Index, 2024

Beeld: Politie, BOSZ 2024; WODC en Algemene Rekenkamer CHI; bewerking Algemene Rekenkamer. Door afronding op vijftigtallen wijkt de optelling van de afzonderlijke aantallen af van het totaal aantal niet behandelde aangiften.

Van de 42000 aangiften van ernstige misdrijven bleef bijna een kwart (ruim 10000) liggen. Meer dan de helft daarvan behoorden tot de categorie overige misdrijven, 3450 tot zware diefstal, 550 tot geweld, 200 tot zeden, 750 tot overige high impact crimes en 100 tot de categorie ondermijning.

De Crime Harm Index (CHI) is één methode om de relatieve ernst van misdrijven te duiden. De ernst van een misdrijf wordt bepaald op basis van de opgelegde straffen aan first offenders voor het desbetreffende misdrijf volgens het volwassenenstrafrecht. Bij deze methode wordt de ernst per misdrijf daarom uitgedrukt in het gemiddeld aantal detentiedagen dat voor dat type misdrijf is
opgelegd. Kortom, de CHI is een uiting van ernst die gebaseerd is op uitspraken van de rechter of officier van justitie. Met hogere straffen voor ernstiger feiten en dus een hogere CHI-score.
De ernst van het misdrijf vermenigvuldigd met het aantal aangiften van dat misdrijf resulteert vervolgens in de totale maatschappelijke schade. Een methodologische verantwoording over de CHI hebben wij opgenomen in bijlage 1.

Van de 10.000 aangiften van ernstige misdrijven werden er 7.000 bij voorbaat afgewezen. Daarnaast zijn er 3.000 vroegtijdig beëindigd door tekort aan (recherche)capaciteit bij de politie en/of het OM. We zien ook dat er regionale verschillen zijn. Zo wees de eenheid Rotterdam relatief meer aangiften van ernstige misdrijven direct af (19%) in vergelijking met de eenheden Oost-Nederland (12%) en Limburg (11%). Voor het afwijzen van aangiften van ernstige misdrijven door capaciteitstekort zien we het tegenovergestelde; dit gebeurt het vaakst in Limburg (13%), minder vaak in Oost-Nederland (8%) en het minst vaak in Rotterdam (7%). In welke eenheid aangifte wordt gedaan van een ernstig misdrijf, is dus van invloed op de mate waarin de politie hiermee aan de slag gaat of kan.

Van een deel van de opsporing is het resultaat onbekend

De politie heeft geen zicht op de resultaten van de 11.500 grote (internationale) opsporingsonderzoeken die worden uitgevoerd door ruim 12.300 fte bij de districtsrecherches, de regionale en de landelijke rechercheteams. Het relevante registratiesysteem kan geen managementinformatie genereren over welke misdrijven onderwerp zijn van onderzoek, wat de benodigde of reeds ingezette capaciteit is en welke resultaten de politie al dan niet behaalt. Het verbaast de Algemene Rekenkamer dat de politie niet over deze (basis)informatie beschikt. Zonder deze informatie is het sturen op doelmatigheid en doeltreffendheid immers onbegonnen werk.

Weinig zicht op resultaten van opsporing

Ernstige misdrijven komen bij basisteams terecht

Door overbelasting van de districtsrecherches, de regionale en de landelijke rechercheteams verschuift de opsporing van ernstige misdrijven steeds meer naar de basisteams. Het gaat dan onder andere om aangiften met betrekking tot high impact crimes zoals woninginbraken, overvallen, zedendelicten en geweldsmisdrijven. De Inspectie Justitie en Veiligheid (2025) concludeerde eerder al dat de basisteams onvoldoende zijn opgewassen tegen deze zwaardere, complexe criminaliteit.

Er is onvoldoende inzicht in de uitgaven van de politie per wettelijke taak

De administratie van de politie is niet ingericht om de kosten te onderscheiden naar de verschillende wettelijke taken. De Algemene Rekenkamer schat dat de politie € 3,3 miljard (41%) besteedde aan de opsporing, € 2,6 miljard (33%) aan de handhaving van de openbare orde en veiligheid, € 1,9 miljard (24%) aan hulpverlening en € 0,3 miljard (4%) aan overige taken voor justitie. Deze schatting is hoger dan wij eerder rapporteerden. Het is vanuit de sturing op de strategische en doelmatige inzet van de politie, maar ook in het licht van het budgetrecht van het parlement zorgwekkend dat de minister en de korpschef niet kunnen aangeven of achterhalen hoeveel publiek geld aan welke wettelijke taak van de politie is besteed.

Keuzes zonder inzicht

De minister van JenV en het OM bepalen de prioriteiten voor de opsporing. Daarbinnen heeft de politie ruimte om keuzes te maken. Het werken met deze verschillende prioriteiten kan lastig zijn voor de politie. En niet alleen binnen de opsporing moet de politie kiezen, maar ook tussen opsporing en andere wettelijke taken. Denk bijvoorbeeld aan keuzes tussen meer blauw op straat of het opsporen van verdachten. De Algemene Rekenkamer vraagt zich af hoe de verschillende gezagen van de politie hier effectieve en efficiënte keuzes in kunnen maken als inzicht in de opsporingsresultaten en de verdeling van capaciteit en geld over de wettelijke taken van de politie ontbreekt.

Waarom onderzochten we dit?

Wij willen met dit onderzoek inzicht bieden in hoeveel geld de politie uitgeeft en hoeveel capaciteit de politie inzet op opsporing. Ook onderzoeken wij of de politie bij het maken van opsporingskeuzes het effect op de maatschappij in meer of mindere mate meeweegt. Daarbij houden wij rekening met de verschillende verantwoordelijkheden voor de politieinzet en het beleid waarbinnen de politie haar taken uitvoert.

Heeft u feedback over dit onderzoek?

Wij heten alle feedback op onze onderzoeken van harte welkom. Wat vindt u van dit rapport? Heeft u er vragen over of heeft u behoefte aan nadere uitleg? Mail ons dan op feedback@rekenkamer.nl. We nemen alle e-mails in overweging en zullen ze met zorg behandelen.