In 2025 werden bijna 3 miljoen Nederlanders slachtoffer van traditionele criminaliteit zoals gewelds-, zeden- en vermogensdelicten. Ook kreeg 17% van de bevolking te maken met digitale criminaliteit. De begroting van de politie bedroeg (in 2024) € 8,1 miljard, zo’n 32% van de totale begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat de politie veel verschillende prioriteiten heeft bij de opsporing van misdrijven. Een gevolg van deze soms concurrerende prioriteiten is dat aangiften (inclusief meldingen) van ernstige misdrijven met grote maatschappelijke schade niet altijd in behandeling worden genomen. Daarnaast wordt van de opsporingsonderzoeken die de politie zelf start niet bijgehouden wat deze hebben opgeleverd. Ook krijgen minister en korpschef geen cijfers over welk deel van de totale politiebegroting naar opsporing gaat.

Naar het rapport

Behandeling van aangiften van ernstige misdrijven volgens Crime Harm Index, 2024

Beeld: Politie, BOSZ 2024; WODC en Algemene Rekenkamer CHI; bewerking Algemene Rekenkamer. Door afronding op vijftigtallen wijkt de optelling van de afzonderlijke aantallen af van het totaal aantal niet behandelde aangiften.

Van de 42000 aangiften van ernstige misdrijven bleef bijna een kwart (ruim 10000) liggen. Meer dan de helft daarvan behoorden tot de categorie overige misdrijven, 3450 tot zware diefstal, 550 tot geweld, 200 tot zeden, 750 tot overige high impact crimes en 100 tot de categorie ondermijning.

Bijna een kwart (ruim 10.000) aangiften van ernstige misdrijven bleef liggen

In 2024 bleven bijna een kwart (ruim 10.000) aangiften liggen van misdrijven die hoog scoren op de Crime Harm Index. Het gaat hier om aangiften en meldingen die door burgers en bedrijven zijn gedaan van onder meer geweldsmisdrijven, het vervaardigen van harddrugs en identiteitsfraude. Ongeveer 7.000 aangiften werden bij voorbaat door de politie afgewezen, en ongeveer 3.000 keer werd onderzoek vroegtijdig beëindigd door tekort aan capaciteit bij de politie en/of het OM. Er zijn hierbij grote regionale verschillen. Zo wees de eenheid Rotterdam relatief meer aangiften van ernstige misdrijven direct af (19%) in vergelijking met de eenheden Oost-Nederland (12%) en Limburg (11%). Daarentegen zien we vroegtijdige beëindiging van ernstige zaken door capaciteitstekort juist vaker in Limburg: 13% tegen 8% in Oost-Nederland en 7% in Rotterdam.

Ontbrekende cijfers over uitgaven en resultaten van opsporing

Van de opsporingsonderzoeken die de politie zelf start op basis van bijvoorbeeld eigen inlichtingen (in 2024 bijna 12.000 zaken, waar door ruim 12.300 fte aan is gewerkt) is niet bekend of deze tot interventies hebben geleid, zoals aanhouding en vervolging van verdachte(n). Dat is bijna driekwart van het totale personeel dit zich bezighoudt met opsporing bij de politie. 

Weinig zicht op resultaten van opsporing

Ook blijken de minister van JenV en de korpschef niet te (kunnen) weten welk gedeelte van hun begroting de politie besteedt aan opsporing. De administratie van de politie maakt het namelijk niet mogelijk om uitgaven op die wijze te splitsen. Dat maakt sturen op doelmatigheid en doeltreffendheid van de opsporing feitelijk onmogelijk én tast het budgetrecht van de Tweede Kamer aan. De Algemene Rekenkamer heeft hierop een eigen schatting gemaakt. Dan blijkt dat zo’n 41% (€ 3,3 miljard) van het totale politiebudget wordt besteed aan opsporing.

Van de vier wettelijke taken zijn de geschatte kosten voor opsporing het hoogst

Beeld: Politie, Financiële administratie 2024; bewerking Algemene Rekenkamer. Door afronding op honderdtallen van de fte per rechercheteam wijkt de optelling van de afzonderlijke aantallen fte af van het totaal aantal van 16.600 fte die primair betrekking hebben op de opsporingstaak.

De geschatte kosten voor Opsporing bedragen € 3,3 miljard, de geschatte kosten voor Overige justitiële taken € 0,3 miljard (beide gezag door officieren van justitie). Voor Bewaken en beveiligen, Openbare orde en veiligheid en Hulpverlening bedragen de geschatte kosten respectievelijk € 0,3, € 2,6 miljard en € 1,9 miljard (allen gezag door burgemeesters).

Crime Harm Index

Voor dit onderzoek heeft de Algemene Rekenkamer gebruik gemaakt van een Crime Harm Index die samen met het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) is ontwikkeld. Deze bepaalt de ernst van een misdrijf op basis van het gemiddeld aantal detentiedagen dat voor dat type misdrijf is opgelegd. De tabel bevat hiervan een aantal voorbeelden.  

Voorbeelden misdrijven van een relatief lage tot hoge ernst, volgens de Crime Harm Index
Relatief lage ernstRelatief hoge ernst
  • eenvoudige diefstal
  • zware diefstal
  • verlaten plaats na verkeersongeval
  • moord
  • bedreiging
  • zware mishandeling
  • aanstootgevend gedrag
  • stalking
  • bezit bepaalde wapens
  • straatroof
  • bezit harddrugs
  • handel harddrugs
  • fraude online handel
  • witwassen
  • telefonische helpdeskfraude
  • identiteitsfraude
  • beleggingsfraude
  • kinderpornografie
  • bezitten/vervaardigen vuurwerk
  • bomaanslag

Concurrerende prioriteiten lastig voor politie

Aan welke misdrijven de politie prioriteit moet geven, wordt op verschillende plekken en vanuit verschillende perspectieven bepaald. De minister van Justitie en Veiligheid prioriteert via de Veiligheidsagenda, het Openbaar Ministerie (OM) doet dat via de Aanwijzing voor de opsporing en ook regionaal en lokaal worden er accenten aangebracht in de prioritering. Deze veelvoud aan prioriteiten is lastig voor de politie. De capaciteit is immers per definitie begrensd en prioriteiten concurreren met elkaar. 
Uit het onderzoek blijkt dat misdrijven van relatief lage ernst soms voorrang krijgen boven ernstigere misdrijven of misdrijven met een grotere maatschappelijke schade. Zo prioriteert de minister van JenV bijvoorbeeld cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, terwijl veel van deze strafbare feiten (maar niet alle) laag of gemiddeld scoren op de Crime Harm Index. Hetzelfde geldt voor winkeldiefstal op heterdaad en het bezit van hard- en softdrugs, die het OM prioriteert. Anderzijds zien we dat sommige ernstige misdrijven niet geprioriteerd zijn, zoals bijvoorbeeld brandstichting en identiteitsfraude. Daarnaast blijkt dat de basisteams grote aantallen ernstige misdrijven moeten opsporen, zoals geweldsmisdrijven, terwijl deze teams daar onvoldoende tegen zijn opgewassen. 

Aanbevelingen

Aan de minister van JenV en het OM doet de Algemene Rekenkamer de aanbeveling om de prioriteiten voor de opsporing te heroverwegen en te vereenvoudigen waar het kan. Ook kunnen minister en OM ervoor zorgen dat ernstige misdrijven in de praktijk passende opsporingsaandacht krijgen. Daarbij kan verkend worden of de Crime Harm Index van toegevoegde waarde kan zijn.  
Aan de korpschef doet de Algemene Rekenkamer de aanbeveling om de registratie van de opsporingsonderzoeken op orde te brengen. Dat is een randvoorwaarde voor een doelmatige en doeltreffende aansturing van de opsporing.
Tot slot roept de Algemene Rekenkamer alle partijen op om zich jaarlijks over de resultaten van de opsporing te verantwoorden, inclusief de kosten die daarmee gemoeid zijn. In dat kader brengt de Algemene Rekenkamer de effectieve inzet van het budgetrecht van het parlement op de inmiddels ongeveer € 8,5 miljard voor de politie onder de aandacht van de minister.