Op 16 juli 2025 deed de Europese Commissie haar voorstellen voor het volgende MFK. Parallel hieraan is een voorstel voor een nieuw eigenmiddelenbesluit gepresenteerd, waarin de financiering van de EU-begroting wordt geregeld. De voorstellen van de Commissie vormen de start voor de onderhandelingen voor de nieuwe meerjarenbegroting 2028-2034 die naar verwachting tot eind 2027 zullen lopen. 

Uitgaven

De voorgestelde hoogte van het budget voor de 7-jarige periode is bijna € 1.800 miljard. In percentage van het bbp van de EU is dat iets hoger dan het percentage in de vorige MFK-periode, te weten 1,26% versus 1,13%. Een deel van de voorgestelde 1.26% (0,11%) is bestemd voor het aflossing en rentebetalingen van het geleende geld voor RRF.

De Commissie stelt voor om het MFK te hervormen door het aantal begrotingshoofdstukken te verminderen tot 4, fondsen samen te voegen en resultaatgericht begroten toe te passen, dat wil zeggen dat afgesproken doelen bereikt moeten zijn voordat tot betaling wordt overgegaan. De Commissie wil het MFK verder meer toespitsen op thema’s zoals concurrentievermogen, veiligheid en defensie, en asiel en migratie. Om beter met onvoorziene omstandigheden om te kunnen gaan stelt de Commissie een grotere mate van budgetflexibiliteit voor.

De Europese Commissie stelt de volgende 4 pijlers voor:

  1. Pijler 1: Nationale en regionale partnerschapsplannen (45% van de middelen, € 791,9 miljard). Dit omvat de huidige structuur- en investeringsfondsen, landbouwfondsen en migratiefondsen; 
  2. Pijler 2, Concurrentievermogen, welvaart en veiligheid (30% van de middelen, € 515,1 miljard). Hieronder valt naast geld voor concurrentie, ook veiligheid en defensie;
  3. Pijler 3, Global Europe (11%, € 182.9 miljard euro). Hierin zijn het externe beleid van de Unie en de externe aspecten van migratie ondergebracht.
  4. Pijler 4, De administratieve uitgaven (6%, € 104,4 miljard euro).

Daarnaast kost het terugbetalen van de leningen en rente voor HVF € 149,3 miljard (8,5%).
Onderstaande bewerking van een figuur van de EPRS (onderzoekdienst van het Europees Parlement) laat zien hoe de verdeling van het geld over de 4 begrotingshoofdstukken in het voorstel er uit ziet.

2028-2034 MFK-overzicht
PijlerNaamBedrag in € miljardenPercentage
1Economic, social and territorial cohesion, agriculture, rural maritime prosperity and security
Nationale en regionale partnerschapsplannen (NRPP’s) 
791,944,9
1Repayment of NGEU
Rente en terugbetaling NGEU
149,38,5
2Competetiveness, prosperity and secrurity
Concurrentievermogen, welvaart en veiligheid
515,129,2
3Global Europe
Europa en de wereld
182,910,4
4Administration
Administratieve uitgaven
104,45,9
Marge19,41,1
Totaal1.763100

Er vindt met deze voorstellen een verschuiving van prioriteiten plaats. Waar in de huidige periode circa 70% van de middelen wordt ingezet voor de fondsen in pijler 1, is dat volgens de voorstellen straks ongeveer 45%. De gelden voor innovatie en veiligheid (pijler 2) stijgen. Die gaan van ca. 17% naar 30% van het totaal aan middelen (bron: Kabinetsappreciatie van 12 september 2025 van het nieuwe MFK). 

Pijler 1 volgt op hoofdlijnen de structuur van resultaatfinanciering van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit. Lidstaten moeten plannen opstellen met investeringen en hervormingen die de verschillende beleidsprioriteiten voor pijler 1 en ook een belangrijk deel van de in het kader van het Europees Semester vastgestelde landspecifieke aanbevelingen behandelen. Uitbetalingen zijn afhankelijk van het voldoen aan mijlpalen en doelstellingen. De Commissie toetst hierop nadat zij hiertoe betaalverzoeken van de lidstaten ontvangt. Indien niet alle mijlpalen of doelstellingen zijn behaald, kunnen lidstaten naar rato worden gekort op hun uitbetalingen. Belangrijk is dat opschorting van betalingen alleen lidstaten treft. Zij moeten namelijk wel nog steeds eindbegunstigden (zoals medeoverheden, bedrijven of burgers) betalen. Doordat alleen de lidstaten budgettair getroffen worden, hebben zij de prikkel om te hervormen en behouden eindbegunstigden zekerheid. De Commissie heeft tevens een voorstel voor een prestatiekader (Performance Framework) gepubliceerd. Dit prestatiekader is van toepassing op het gehele MFK.

Inkomsten

De Commissie stelt voor de inkomstenkant vijf nieuwe eigen middelen voor. Dit zijn eigen middelen op basis van:

  1. inkomsten uit een deel van het EU-emissiehandelssysteem (Emission Trading System, ETS-1), 
  2. opbrengsten uit het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (Carbon Border Adjustment Mechanism, CBAM), 
  3. niet-ingezameld elektrisch en elektronisch afval (‘e-waste’), 
  4. op de markt gebrachte tabaksfabricaten en tabak-gerelateerde producten (Tobacco Excise Duty Own Resource, TEDOR), en 
  5. een omzetbijdrage van grote ondernemingen (Corporate Own Resource for Europe, CORE).

Deze nieuwe middelen zijn een aanvulling op de bestaande eigen middelen, te weten de douanerechten, de btw-afdracht, de afdracht op basis van niet-gerecycled plastic verpakkingsafval en de afdracht op basis van bni. Deze laatste is verreweg het grootste eigen middel en vormt de sluitpost van de EU-inkomsten. Op dit moment (2025) is het Nederlands bni-aandeel binnen de EU 6,4%. Sinds het EMB van 2002 betaalt Nederland echter minder dan het bni-aandeel doordat het profiteert van een korting. Naast Nederland ontvangen ook Duitsland, Zweden, Oostenrijk en Denemarken een korting op de bni-afdracht ter gedeeltelijke compensatie van de netto-betalerspositie. De Commissie wil voor het volgende MFK deze kortingen volledig afschaffen, wat Nederland volgens het kabinet vanaf 2028 gemiddeld ca. 2 miljard euro per jaar aan extra afdrachten zou kosten. Momenteel mogen lidstaten bij het innen van de douanerechten 25% daarvan zelf houden ter vergoeding voor de gemaakte heffings- en inningskosten, ook wel aangeduid als de perceptiekostenvergoeding. De Commissie wil de perceptiekostenvergoeding verlagen van 25% naar 10%, wat Nederland naar schatting van het kabinet 0,5 miljard euro per jaar zou kosten. 

Kabinetsappreciatie

Op 12 september 2025 zond het kabinet haar appreciatie van de voorstellen van de Europese Commissie naar de Kamer. Het kabinet verwelkomde de voorgestelde modernisering van het MFK waarbij de Commissie meer focus legt op strategische prioriteiten en hiervoor een groter deel van de EU-begroting uittrekt. Het kabinet was positief over het voorstel van de Commissie om het principe te hanteren dat vooraf vastgestelde voorwaarden of prestaties behaald dienen te worden voordat middelen uit EU-fondsen worden uitgekeerd. Wel had het kabinet vragen over bijvoorbeeld de administratieve lasten van deze systematiek en hoe het voorstel in de praktijk uit zal pakken. Het kabinet gaf aan in te zetten op een verlaging van het voorgestelde MFK. Ook vond het kabinet dat Nederland te veel moet bijdragen ten opzichte van de andere lidstaten. Het kabinet verwachtte dat een korting op de bni-afdracht noodzakelijk is om een betere verdeling te bereiken. Het kabinet wilde ook inzetten op behoud van de perceptiekostenvergoeding op het huidige niveau van 25%. Ten aanzien van de voorgestelde nieuwe eigen middelen wilde het kabinet weten wat de verdelingseffecten ervan zijn. Tot slot was het kabinet geen voorstander van het aangaan van gemeenschappelijke schuld voor nieuwe Europese instrumenten en stond het niet achter de voorstellen voor leningen voor een crisisinstrument en voor de ophoging van het budget voor pijler 1.

Aandachtspunten Algemene Rekenkamer

Op 10 september 2025 stuurde de Algemene Rekenkamer de brief Onderzoek EU-resultaatfinanciering aan de Tweede Kamer met aandachtspunten voor de toepassing van resultaatfinanciering. De Algemene Rekenkamer baseerde zich hiervoor op de ervaring die de afgelopen periode met de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF) is opgedaan. De Rekenkamer stelde vast dat het instrument meer nadruk legt op resultaten dan bij de fondsen in gedeeld beheer het geval is, omdat resultaten immers de basis van de betalingen vormen. De Algemene Rekenkamer formuleerde de volgende aandachtspunten:

  1. De keuze voor bestaande maatregelen levert weinig toegevoegde waarde op Nederland koos bij het HVF-plan voor bestaande en financieel gedekte maatregelen. Weliswaar is dat toegestaan, maar dan is er geen sprake van toegevoegde waarde: de resultaten werden ook zonder het EU-geld al nagestreefd of bereikt.
  2. Met evaluaties moeten effecten in beeld worden gebracht 
    De betalingen uit de HVF zijn gebaseerd op verrichte activiteiten of geleverde prestaties, inzicht in de effecten ontbreekt nog bij de betaling. Toch is het, net als bij nationaal geld, wel belangrijk om te weten of met het ingezette geld uiteindelijk de beoogde effecten worden gerealiseerd. Ex-post evaluaties zijn daarom relevant. Deze evaluaties zijn bij de HVF echter niet verplicht op lidstaatniveau. 
  3. Gemaakte kosten blijven bij resultaatfinanciering buiten beeld 
    Omdat betalingen zijn gekoppeld aan resultaten en niet aan de gemaakte kosten levert resultaatfinanciering geen inzicht op in de daadwerkelijk gemaakte kosten voor de uitvoering van de activiteiten. Dit is een direct gevolg van de keuze voor deze financieringssystematiek en kan alleen tegen hoge verantwoordingslasten worden verholpen. 
  4. Verantwoording en controle kan gestroomlijnder met lagere lasten 
    Er is sprake van dubbelingen in de controles. Het is mogelijk om de controleaanpak op nationaal en EU-niveau meer te stroomlijnen en op Europees niveau meer te steunen op de nationale controlesystemen en zo de verantwoordingslasten te verminderen.

Rapporteurs MFK Tweede Kamer

De Tweede Kamer commissie voor Financiën heeft in maart 2025 rapporteurs aangesteld voor het aankomende MFK. Op 29 september 2025 publiceerden zij hun eindverslag.  Daarin stellen de rapporteurs vast dat voor zowel de omvang van het MFK als voor het Nederlandse aandeel in de nationale bijdragen via het EMB de voorstellen van de Commissie sterk afwijken van de inzet van Nederlandse kabinet. De kabinetsinzet en de voorgestane jaarlijkse beperking van de afdrachten met 1,6 miljard euro is al ingeboekt in de meerjarige begrotingsramingen en de Miljoenennota.  De Commissievoorstellen zouden leiden tot een jaarlijkse tegenvaller van tussen de € 4,5 en € 5,4 miljard (in lopende ende prijzen). Voor wat betreft de voorgestelde samenstelling, structuur en performance based architectuur van het nieuwe MFK sluit de Commissie wel meer aan bij de Nederlandse inzet. De Commissie moderniseert het MFK met een significante verschuiving van landbouw- en cohesiefondsen naar nieuwe strategische prioriteiten zoals concurrentievermogen en defensie. Ook staat het kabinet positief tegenover de voorgestelde nieuwe structuur die het MFK eenvoudiger, flexibeler en effectiever moet maken. En Nederland is in beginsel voorstander van de performance based architectuur waarbij EU-gelden worden gekoppeld aan hervormingen.