De EU is een economisch en politiek samenwerkingsverband tussen 27 Europese landen (EU-lidstaten). Deze landen hebben op bepaalde terreinen nationale bevoegdheden overgedragen aan de EU. Zodoende kunnen de EU-landen gezamenlijk Europees beleid voeren op gebieden zoals landbouw en visserij, milieu, handelspolitiek, economie en monetaire zaken. Het beleid op deze terreinen wordt ook wel ‘communautair beleid’ genoemd.

De overdracht van bevoegdheden van lidstaten aan de EU betekent dat de lidstaten op die beleidsterreinen niet zelfstandig wetten en regels kunnen opstellen, aanpassen of afschaffen. Dat kan alleen binnen de kaders van de EU-regelgeving. Op de betreffende terreinen staan bovendien de nationale parlementen en de nationale rekenkamers meer op afstand. Dat heeft ook gevolgen voor de controle op het beleid. 
In het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geregeld hoe de controle op de uitvoering van het communautaire beleid plaatsvindt en hoe daar verantwoording over moet worden afgelegd. In grote lijnen gaat dit als volgt: 

  • Het Europees Parlement controleert de Europese Commissie bij de uitvoering van het communautaire beleid en de bijbehorende begroting. 
  • De Europese Rekenkamer ondersteunt het Europees Parlement in zijn controlerende taak door de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het communautaire beleid te onderzoeken. Over de rechtmatigheid van het binnengekomen en uitgegeven EU-geld geeft de Europese Rekenkamer jaarlijks een oordeel. Daarnaast rapporteert de Europese Rekenkamer in circa 20 ‘special reports’ per jaar over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid. 
  • In het Europees Parlement worden deze rapporten onder meer besproken in de begrotingscontrolecommissie. Deze commissie is ook aan zet bij de jaarlijkse “decharge" over hoe de Europese Commissie (en andere EU-instellingen) de implementatie van de EU-begroting hebben uitgevoerd.

Als het gaat om de verantwoording en controle van EU-geld is vaak sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid tussen de EU en de lidstaat. Ruim de helft van het EU-geld wordt namelijk in de lidstaten besteed, via de EU-fondsen (zogenaamd indirect beheer, zie ook EU-geldstromen Nederland). 
Nationale overheden stellen plannen op voor de besteding van dat EU-geld en de controles op de besteding vinden in belangrijke mate onder nationale verantwoordelijkheid plaats. In de figuur hieronder zijn de verantwoordelijkheden op zowel EU- als nationaal niveau voor de controle van de besteding van de fondsen die vallen onder het cohesiebeleid in beeld gebracht. Een dergelijke verantwoordelijkheidsverdeling geldt ook voor de andere fondsen in gedeeld beheer, waarbij op nationaal niveau de eerste en tweedelijns controle is neergelegd en op EU-niveau de derdelijns controle en de externe controle.

ERK werkzaamheden op het gebied van regelmatigheid en de toezicht- en controlesystemen van de Commissie en de lidstaten omvatten beoordelingen van het werk op drie verdedigingslinies om onregelmatige uitgaven in het kader van het cohesiebeleid te voorkomen, op te sporen en te corrigeren. De drie niveaus zijn: beheersautoriteit als eerste verdedigingslinie (eerstelijnsverificatie van alle uitgaven op basis van betalingsverzoeken van begunstigden), auditautoriteit als tweede verdedigingslinie (verificatie van de regelmatigheid van de uitgaven op basis van betalingsaanvragen die tijdens het boekjaar bij de Commissie zijn ingediend) en de Commissie als derde verdedigingslinie (controles aan de hand van stukken, onderzoeksmissies en nalevingsgerichte en thematische controles)

De Europese Rekenkamer heeft als externe auditor in dit proces een formele rol die in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is vastgelegd. Vanwege de nationale verantwoordelijkheden bij de besteding van EU-middelen leveren ook (sommige) nationale rekenkamers een bijdrage aan het inzicht in de rechtmatige besteding van de middelen in hun land.