Beste mensen,

U kent vast de Franse schrijver en voormalig volksvertegenwoordiger Victor Hugo. Bekend van onder andere Les Miserables, de Klokkenluider van de Notre Dame en vele andere romans, gedichten, toneelstukken, essays en politieke toespraken. Een voorstander van de vrijheid van meningsuiting avant la lettre. Hugo heeft jaren in ballingschap op Jersey en Guernsey gewoond omdat hij het pertinent oneens was met Napoleon III. Iemand die dus absoluut niet bang is om tegen de gevestigde orde in te gaan, wat hij ook liet zien in het maatschappijkritische Les Miserables.

En toch… toch zei juist déze Victor Hugo: ‘Alles in balans brengen is goed. Alles in harmonie brengen is beter.’

Zoals u wellicht weet kom ik uit een politieke traditie van strijd in plaats van in harmonie brengen. Maar ik refereer niet voor niets aan dit citaat. Het is in reactie op het ROB-rapport ‘Duidelijkheid in de (dis)balans’. Een vervolg op het rapport ‘Afrekenen met disbalans’.

Disbalans, hmm. Mag ik daar wat kritische vragen bij hebben?

We horen regelmatig: gemeenten en provincies krijgen steeds meer taken, maar onvoldoende middelen of ruimte om die goed uit te voeren.

Is dat wel zo? Is er echt een disbalans? Zo ja, wat is er nodig voor meer balans? Komt er dan meer harmonie, of is dat een te romantische gedachte, a la Victor Hugo?

Van een afstand beschouwd lijkt er een voortdurende strijd om geld tussen Rijk, provincies en gemeenten plaats te vinden. De verhoudingen lijken verre van goed. Er was sprake van een ravijnjaar waar gemeenten plotseling veel minder geld krijgen. Dit is vooruit geschoven, maar veroorzaakt nog steeds onrust.

Gemeenten moeten een sluitende begroting maken, en moeten dus de tering naar de nering zetten. Tegelijkertijd hebben ze ‘wel de taken, niet de knaken’. Dat zorgt voor spanning.

Het Rijk kan van de VNG zeggen dat die afkorting voor de ‘Vereniging Nooit Genoeg’ staat. Altijd maar om meer vragen. Gemeenten krijgen de meeste inkomsten van het Rijk. Naar het Gemeentefonds ging vorig jaar bijna 48 miljard euro. 48 MILJARD!

Gemeenten en provincies krijgen uit het Gemeente- en Provinciefonds vrij besteedbare uitkeringen.

Waar het aan besteed wordt? Geen idee.

Of het genoeg is? Geen idee.

Of die roep om meer geld dus terecht is?

U raadt het al: géén idee.

De ene gemeente besteedt wat meer aan bepaalde taken dan andere. Bijvoorbeeld sport, cultuur en groen. Dat is lokale democratie. Of dat geld goed besteed wordt, is aan de Gemeenteraad. Niet aan de Tweede of Eerste Kamer, niet aan een ministerie, niet aan de Algemene Rekenkamer. Gemeenteraden kunnen daarbij wel gebruikmaken van een lokale rekenkamer, en de eigen accountant.

Voor sommige taken krijgen gemeenten en provincies een specifieke uitkering, de SPUK. Dat geld mag alleen aan dat specifieke doel besteed worden. Bijvoorbeeld de SPUK voor de uitvoering van de Participatiewet. Dat is meteen de allergrootste: in 2025 was dat 7,7 miljard. Die uitgaven moeten worden bewezen met bonnetjes. Zo krijgen de Tweede en Eerste Kamer, en dus alle belastingbetalers, de zekerheid dat het geld echt daaraan is besteed.

Er wordt hierop niet dubbel door gemeenten en Rijk gecontroleerd. Dat noemen we ‘single information, single audit’, oftewel SISA. We hebben dat in Nederland dus relatief goed geregeld.

Maar dat betekent niet dat de specifieke uitkeringen geen verantwoordingslast met zich meebrengen. Bovendien beperkt het gebruik van specifieke uitkeringen de autonomie van gemeenten. Daarom zijn SPUK’s daar niet zo populair.

Om tegemoet te komen aan die bezwaren heeft het vorige kabinet geprobeerd het aantal SPUKs te verminderen. Dat lukt nog niet zo goed. Vorig jaar werden er 8 SPUK’s overgeheveld naar het Gemeentefonds. Maar er werden ook 39 nieuwe SPUK’s ingesteld. In totaal zijn er meer dan 150 uitgekeerd. Ruim 21 miljard euro in 2024.

Ook wordt met de aanstaande wijziging van de Financiële Verhoudingswet een nieuwe uitkeringsvorm geïntroduceerd. De bijzondere fondsuitkering moet het mogelijk maken om bestedingsvrij geld uit te keren, buiten de verdeelsleutel van het fonds om. Maar het Rijk moet dan wel geïnformeerd worden of de maatschappelijk doelen zijn bereikt. 

De meeste discussie ging de afgelopen jaren over de in 2015 gedecentraliseerde taken: de Jeugdzorg, Jeugdwet en WMO. Vooral wat betreft de Jeugdzorg werd regelmatig gezegd dat het bedrag niet genoeg was.

Het probleem is alleen: Rijk en gemeenten kozen voor een vrij besteedbare uitkering uit het gemeentefonds, in plaats van een SPUK. Daardoor zijn er geen bonnetjes die aantonen hoe hoog de kosten écht waren.

De Algemene Rekenkamer weet het niet. De minister weet het niet. De Tweede en Eerste Kamer weten het niet. En de gemeenten zelf ook niet.

De Commissie van Ark heeft een dappere beredeneerde schatting gedaan: ruim 7 miljard euro in 2025. Waarmee er een tekort was van meer dan 800 miljoen euro. Gemeenten en Rijk spraken af die extra kosten te delen, fifty-fifty, bij gebrek aan inzicht in de échte kosten.

Het is dus wat dubbel als er gezegd wordt dat er te weinig geld is. Want hoe weet je dat als niet duidelijk is hoeveel er opgemaakt wordt, waaraan, en wat het effect ervan is?

Je kan ‘meer knaken voor taken’ vragen, maar wat als je niet kunt aantonen dat je die écht nodig hebt? Hoe kun je altijd maar meer willen, als je niet inzichtelijk maakt waarom? Ben je dan niet een Rupsje Nooitgenoeg? Ik zet het expres even zwaarder aan, want ik wil de discussie op gang brengen.

Als je de kosten van bijvoorbeeld de jeugdzorg meerjarig wilt volgen en duiden, moet er iets gebeuren. Omdat die informatie er nu niet is. Dat kan met een SPUK. Dat leidt tot verantwoordingslasten en beperkt de bestedingsvrijheid. Maar het geeft wél meerjarig inzicht in de kosten. Het is een politieke keuze die niet aan de Algemene Rekenkamer is, maar ik geef het u graag mee.

We zien met veel interesse uit naar het onderzoek dat de minister gaat doen om taken en middelen in beeld te brengen. Maar het klinkt als een heel ambitieus plan. Bovendien zijn de tijdlijnen vrij kort. Ik heb wel een suggestie.

Concentreer de discussie over de financiering op die taken waar de meeste zorgen naar uitgaan, in plaats van álle taken. Anders wordt het een onoverzichtelijke en ingewikkelde discussie. De uitkomst moet daarbij gericht zijn op bestedingsvrijheid, maar dat wil niet zeggen dat er verantwoordingsvrijheid komt.

Het zou ook kunnen helpen als de verantwoording van bijvoorbeeld de jeugdzorg voor álle gemeenten wordt gestandaardiseerd. Wat die gestandaardiseerde verantwoording precies moet inhouden is aan u. Dat kan bijvoorbeeld het aantal cliënten zijn, de kosten per cliënt, etc. Daarmee kunnen de resultaten van gemeenten onderling, of groepen van gemeenten onderling vergeleken worden.

Dat kan nu nog niet, omdat er verschillen zitten in de manieren waarop er gerapporteerd wordt. Dat is echt appels met peren vergelijken.

Terwijl je op nationaal niveau inzicht in kosten en resultaat wil hebben. Dán pas kan je van het Rijk verwachten dat ze de knaken in balans brengt met de taken… en van gemeenten dat ze bestedingsvrijheid hebben, maar gewoon netjes moeten verantwoorden waar het geld naartoe gaat. Het hoeft allemaal niet zo ingewikkeld te zijn.

Met meer en betere informatie kun je een nationaal beeld krijgen. En gemeenten en provincies kunnen onderling beter vergelijken en van elkaar leren.

Als Algemene Rekenkamer hopen we dat de doelmatigheid van de besteding van ieders belastinggeld een belangrijke rol speelt. In plaats van vooral getouwtrek om meer geld tussen Den Haag en decentrale overheden. Hoe oprecht de achterliggende intenties ook zullen zijn.

Meer geld kan juist de doelmatigheid en doeltreffendheid ondermijnen. Zorg voor een goede verantwoording, waarmee ik bedoel: laat zien dat geld doelmatig en doeltreffend wordt besteed, voordat je om meer geld vraagt.

Bij een passende taakverdeling en financiering hoort dat op Rijksniveau wordt gedaan wat passend is. Dat lokaal gebeurt, wat lokaal kan gebeuren. En dat kabinet en Kamers dat ook respecteren. Maar telkens en op alle niveaus hoort daar de vraag bij: worden onze belastingeuro’s wel doelmatig en doeltreffend besteed?

De minister omarmt nu het advies van de ROB uit ‘Duidelijkheid met disbalans’: breng structureel in kaart wat budget en kosten zijn, voor meer efficiency in Rijksuitgaven. In hun advies staat:

  • 1 maak een lijst met medebewindstaken
  • 2 geef een overzicht van de financiële middelen
  • 3 wat waren de werkelijk gemaakte kosten voor gemeenten en provincies
  • 4 vergelijk de budgetten met de werkelijke kosten

Dat is een ambitieuze aanpak en mijn suggestie is om de discussie te concentreren op de financiering op die taken waar de meeste zorgen naar uitgaan, in plaats van álle taken.

En last but not least:

  • 5 overleg tussen Rijk en decentrale overheden.

Dat goede gesprek, dat moet helder, open en met de juiste informatie zijn. Natuurlijk kritisch, maar wel opbouwend en met een eenduidig beeld. Vandaar de quote van Victor Hugo: ‘Alles in balans brengen is goed. Alles in harmonie brengen is beter.’

Als je niet weet waar je met elkaar over praat, ontstaat er nooit een goede balans, laat staan harmonie. Bestedingsvrij geld mag niet verantwoordingsvrij zijn, het is en blijft publiek geld. Dat moet zinnig, zuinig en zorgvuldig besteed worden. Daar zal de Algemene Rekenkamer altijd voor blijven strijden.

Ik ga hierover graag met u in gesprek!

* Het gespoken woord geldt