Minister, hoogleraren, professoren, vakgenoten, collega’s en vrienden goedemiddag. Het is een genoegen deel te nemen aan het congres.
In het bijzonder wil ik professor Van Halem en professor Van Lier bedanken voor de uitnodiging.
Toen ik de uitnodiging kreeg om te spreken op dit Nieuwjaarscongres, tussen experts op het gebied van water, ging mijn eerste gedachte onwillekeurig naar mijn grootvader. Ik groeide op in Zeeland.
Mijn opa had, net als veel andere families, de onderwaterzetting van Walcheren meegemaakt. Eind 1944 bombardeerden de geallieerden de dijken van Walcheren, bij Westkapelle. Dit was om het zware Duitse geschut langs de Schelde onder water te zetten. Tweemaal per dag stroomde het zeewater met het getij Walcheren in en weer uit. Van de 19.000 woningen werden er ruim 11.000 verwoest of zwaar beschadigd. Veel vee kon niet worden geëvacueerd en verdronk. Mijn opa wist na de onderwaterzetting de laatste pruimenoogst binnen te halen. Dat was ook meteen einde oefening: fruitbomen houden niet van zout water. Einde van de boomgaard.
Ik kan me goed voorstellen dat u zich dan wellicht afvraagt waarom ik, als collegelid van de Algemene Rekenkamer, u hier toespreek op het Nieuwjaarscongres van deze universiteit. We staan niet bekend als civiel ingenieurs of waterbouwkundigen. Onze auditors leggen geen dijken of drinkwaterleidingen aan.
De Algemene Rekenkamer is de externe en onafhankelijke controleur, de auditor van het Rijk. Internationaal heet dat Supreme Audit Institute. Wij controleren de bestedingen van het Rijk, circa 450 miljard euro. Niet alleen of het met elkaar opgebrachte geld volgens de regels wordt uitgegeven, maar vooral wat het resultaat is van beleid. Wat is bijvoorbeeld het resultaat van de investeringen in ons onderwijs? Het resultaat van 30 jaar energiebesparingsplicht? Van het materieel beheer bij Defensie? En hoe gaat het met de subsidies voor vrijwillige beëindiging van veehouderijen, met de overheidsuitgaven om de overstap op warmte of waterstof te bevorderen of met het resultaat van toezicht op milieucriminaliteit? Dat onderzoeken wij, met de bril van externe controleur.
Bij de Rekenkamer staat problematiek rondom water hoog op de risicolijst: te veel water, te weinig water en te vies water. Het gaat om veel publiek geld of om gevolgen voor de maatschappij. Denk aan schade voor burgers en bedrijven na een overstroming, of aan gezondheidskosten, of aan schade aan gewassen en natuur.
Voor mij, als Zeeuwse en als diplomate, is de risico-analyse trouwens niet alleen een stuk papier. Te veel, te weinig of te vies water en wat dat betekent, is voor mij - en ook voor u vermoed ik - concreter dan alleen woorden op papier. Als diplomate heb ik gewerkt en gewoond in landen waar geen of weinig water uit de kraan kwam, waar kinderen amper te eten kregen door droogte, waar vluchtelingen nierklachten kregen door vervuild drinkwater, waar flash floods burgers en bedrijven bedreigden. In veel van die landen slaagden we erin om met Nederlandse expertise oplossingen, de situatie te verbeteren.
Het is dan ook een eer om hier vandaag te spreken voor een publiek dat dagelijks werkt aan land en water, aan water en land: civiel ingenieurs, kennisinstituten, waterbeheerders, bedrijven, decentrale overheden en heel veel mensen met of zonder wel drie – soms meer - verschillende kwalificaties voor en achter hun naam. Nu ik hier sta, pak ik dan ook de kans om u allemaal te bedanken.
Deze steen, dit monument staat bij de Oosterscheldekering. ‘Hier gaan over het tij, de wind, de maan en wij’. De Oosterscheldekering werd gebouwd tussen 1976 (50 jaar geleden) en 1986. Een staaltje Nederlands waterbouwkundig vernuft.
In de tekst klinkt wat mij betreft optimisme door. Dat was ook de tijdsgeest. Er zijn zaken die we niet kunnen beïnvloeden, zoals het tij, de maan, de wind (nu zouden we zeggen het klimaat, extreem weer), maar wij hebben kennis, expertise, organisatiekracht, de wil en middelen om waterproblemen te voorkomen of op te lossen.
Niet dat ‘wij’ toen eenduidig was en dat we het toen wel met elkaar eens waren. Ook toen dacht niet iedereen hetzelfde over de stormvloedkering. Naast de voorstanders waren er tegenstanders. Bijvoorbeeld mijn opa: oud-medewerker van Rijkswaterstaat, en Zeeuw. Hij vond dat veiligheid voorop hoort te staan. Hij had liever een gesloten dam gezien. Veiliger, robuuster. Hij vroeg zich af of de techniek van de schuiven wel voldoende zou zijn voor de lange termijn. Roest, kwetsbare mechaniek. Hij zei altijd “De kracht van water kun je wel meten, maar uiteindelijk niet weten.” Mijn opa bedoelde hiermee de kracht van de natuur, van water, maar ook de kracht van wat er in de toekomst geschreven staat.
Een andere RWS-er, een Fries met de achternaam Hoekstra, noemde de stormvloedkering een vergissing. Maar om een andere reden. Het ging bij hem om het belang van het milieu. Het milieu was meer gebaat bij versterking van de dijken. Zo dacht hij erover. In de Tweede Kamer sprak men de minister erop aan dat een ambtenaar van RWS zich zo openlijk uitsprak.
De maan, de wind en wij. De maan is onveranderbaar. Maar sinds de start van de bouw van de kering in 1976 wordt er anders gekeken naar de wind – de weersomstandigheden. Inmiddels is uit rapporten Van IPCC en KNMI duidelijk dat de ernst en frequentie van weersextremiteiten toenemen. En als “de wind” verandert, kan het niet anders dan dat “wij” daarop anticiperen en reageren. Of het nu om te veel, te weinig of te vies water gaat: er zijn risico’s aan verbonden, waar we wat mee moeten.
Als Algemene Rekenkamer doen wij al jarenlang onderzoek naar het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en een organisatie als Rijkswaterstaat en de ILT. Ook nemen we in onderzoeken mee wat er gebeurt bij waterschappen en bijvoorbeeld omgevingsdiensten. Dat kan over van alles gaan.
- Drinkwaterbesparingsbeleid van de minister
- Waterveiligheid maatregelen achter de dijk
- Cyberveiligheid van onze vitale infrastructuur
- Instandhouding van het hoofdvaarwegennet
- Milieucriminaliteit, toezicht en handhaving
- Inkoop en aanbesteding
- Rivierlozingen over twee maanden
- Zoetwatertekorten, eind dit jaar
Ik kan niet in een half uur op alle onderzoeken ingaan, dus ik zal voor u een paar rode draden in onze bevindingen schetsen. Laten we beginnen met te kijken naar het geld voor de instandhouding van infrastructuur.
Hier ziet u links het gat tussen benodigd en beschikbaar budget voor het Hoofdwegennet en ProRail. Rechts ziet u Rijkswaterstaat: HWV, HVWN en HWS. Het “gat” bedraagt daar ongeveer €34,5 miljard. Dat is niet mis en het grootste gat zien we bij hoofdwegen.
In het geval van Rijkswaterstaat ligt er nu zo’n enorme instandhoudingsopgave dat het gat tussen wat beschikbaar is enerzijds en wat volgens de beheerders tot 2038 nodig is anderzijds, op €34,5 miljard komt. Het is gat tussen wat de beheerder aangeeft nodig te hebben aan budget en wat de minister beschikbaar stelt. Vragen beheerders teveel, is de minister te terughoudend, is er te weinig politiek draagvlak?
Rijkswaterstaat kampt inmiddels met een zo grote instandhoudingsopgave dat het uitgesteld en achterstallig onderhoud jaarlijks oploopt. Veel van onze infrastructuur in Nederland is aangelegd in de jaren 50, 60 en 70 van de vorige eeuw en het is hoog tijd voor grootscheepse werkzaamheden. Maar we zien dat Rijkswaterstaat op dit moment amper genoeg mensen heeft om al dat werk aan te pakken, en dat er dus vertraging ontstaat. Ook de markt is veranderd. Aannemers hebben minder mensen dan er vraag is naar hun diensten en producten. Bedrijven wegen af wat risico en rendement is bij een bepaalde aanbesteding.
Met lang wachten dreigt onze constante verkeersstroom op de weg en op water vast te lopen door beperkingen en afsluitingen. Met mogelijk grote gevolgen voor onze maatschappij en economie.
- Instandhouding. In algemene zin zien we, als het gaat om financiering van instandhouding van assets, van activa, vaker dat instandhouding vaak kind van de rekening is: vastgoed bij Defensie, schoolgebouwen, infrastructuur. En dan wordt preventief onderhoud correctief onderhoud. Van gepland onderhoud naar spoedreparaties.
- Gebrekkig zicht. Er is ook vaak geen goed zicht op de waarde en functionaliteit van publieke bezittingen. Overigens spant IenW zich in om dit te verbeteren, bijvoorbeeld met de Staat van de Infrastructuur.
- Kas/ verplichtingen. We zien dat het Rijk werkt met een kas/verplichtingenstelsel. In dat stelsel is er minder zicht op de waarde van assets. Gechargeerd: een brug wordt gebouwd en betaald. Klaar. Daarna komen de waarde en functionaliteit niet meer in de kas-verplichtingenwerkelijkheid terug. Baten/lasten-systemen zoals waar gemeentes, waterschappen en provincies mee werken, hebben dat nadeel minder.
- Politiek. We krijgen Rijksbreed ook de indruk dat het starten van iets nieuws politiek interessanter is dan het onderhouden en vernieuwen van bestaande activa.
Ook worden ambities niet altijd expliciet gemaakt en ze worden evenmin realistisch gekoppeld aan geld en uitvoering. Realisme in budgetten, maar ook een inschatting van wat de markt aankan. Meer doen en meer geld uitgeven, is moeilijker dan het lijkt.
Het is aan het de Tweede Kamer om door te vragen. Wat zit er achter dit gat van beschikbaar en benodigd budget? Wat gebeurt dan niet meer? Betekent het dat het alleen maar haalbaar is om een minimumkwaliteit, een basiskwaliteit, zeker te stellen? Dat zou kunnen. En misschien is dat op dit moment al met moeite haalbaar. Maar laat het parlement en de minister naar elkaar duidelijkheid verschaffen.
Uitstel en vertraging zien we als Algemene Rekenkamer Rijksbreed vaak terugkomen, wanneer we de spreekwoordelijke thermometer in het rijksbeleid steken. Het aanpakken van de infrastructuur door het Rijk wordt soms dusdanig uitgesteld dat de oplossing niet alleen moeilijker maar ook duurder wordt. Maar de Algemene Rekenkamer ziet uitstel en vertraging ook elders: bij het vastgoed van Defensie, bij het aanpakken van milieucriminaliteit, bij de WIA, bij energiebesparing, schoolgebouwen, waterveiligheid en bij drinkwaterbesparing. En dan heb ik het nog niet eens over de KRW-doelen en het Klimaatakkoord van Parijs.
Als Rekenkamer kijken we naar de oorzaken van de vertraging. We zien er meerdere -onrealistische ambities en verwachtingen even daar gelaten - maar ik wil er vandaag drie uitlichten die we specifiek op watergebied vaak zien terugkomen.
- een gebrek aan goede data,
- een gebrek aan effectieve afstemming
- een gebrek aan urgentie.
Als je niet weet waar de put is, en hoe diep de put is, dan kun je ‘m ook niet dempen. Ik noemde het achterstallig onderhoud bij Rijkswaterstaat al. Het is erg moeilijk gebleken om precies scherp te krijgen welke objecten er zijn en wat de toestand is. De verschillende “Staat-van”- publicaties zoals de Staat van de Infrastructuur geven steeds meer overzicht. Dat is belangrijk.
Het gaat erom dat er allerlei informatie is, soms in allerlei systemen, maar uiteindelijk is het zaak om op centraal niveau die data bij elkaar te krijgen voor inzicht. Maar ja, bedrijfsvoering, IT en data zijn vaak niet de woorden waarmee je in de media en de politiek tractie krijgt.
Een ander voorbeeld: in 2021 deden we onderzoek naar de aanpak van milieucriminaliteit. Een belangrijk onderwerp: ik hoef u niet te vertellen wat milieuverontreiniging kan betekenen voor de bodem- en waterkwaliteit. In 2025 voldeed bijvoorbeeld slechts 3 procent van de oppervlaktewateren in Nederland aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water voor chemische waterkwaliteit.
We zagen in dat onderzoek naar milieucriminaliteit dat er in 5 jaar bijna 20.000 milieu-inspecties hadden plaatsvonden. Best veel, zou je kunnen zeggen, maar toch schoot de handhaving tekort. Een belangrijke oorzaak is het ontbreken van goede, betrouwbare gegevens over de uitkomsten van inspecties bij de bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken. Systemen van Omgevingsdiensten en ILT praatten niet met elkaar. Daar zijn ondertussen wel stappen gezet de goede richting op.
Dat gebrek aan informatie maakt dat de toezichthouders, handhavers en de verantwoordelijke bewindslieden in het duister tasten. Zij hebben immers geen zicht op de aard en omvang van overtredingen, op de veelplegers onder de bedrijven, op de effectiviteit van sancties, op tekortkomingen in het toezicht en inconsequenties in de handhaving.
Hieraan gerelateerd: op dit moment doen we een kort focusonderzoek naar rivierlozingen. Wat weet Rijkswaterstaat op landelijk niveau over de lozingen van grote industriële bedrijven op het oppervlaktewater van het hoofdwatersysteem? Wat wordt er geloosd en hoe vaak komt Rijkswaterstaat bij deze bedrijven langs? Daarover hoort u komend voorjaar meer van ons.
Ook de foto met grijze stenen op het scherm te maken heeft met een tekort aan data. Dit zijn staalslakken. Vorig jaar trokken we aan de bel over staalslakken. Bij de productie van staal blijft een restproduct achter. Een soort grijze klompjes vol zware metalen: staalslakken. Dit materiaal kon, in het beleid om te komen tot een circulaire economie, vrij toegepast worden als bouwmateriaal.
Maar als staalslakken in contact komen met water ontstaat er een proces van uitlogen. Het water wordt zeer basisch. Vissen en planten kunnen er moeilijk leven. Het risico is dat bodemleven en het grondwater worden verontreinigd. Ook zijn er risico’s voor de volksgezondheid. Kortom: als beleid dat erop gericht is grondstoffen te hergebruiken teneinde het milieu minder te belasten, datzelfde milieu belaagt, gaat er iets mis.
Er liggen nu staalslakken onder wegen, taluds, gebouwen, speeltuinen… overal eigenlijk. Waar precies heeft niemand bijgehouden. Geen data. Al die jaren was er geen meldplicht en de staat heeft geen idee waar het spul ligt en wat de risico’s precies zijn. Uiteindelijk waren onderzoeksjournalisten nodig om met een lijst van 150 locaties te komen. Klopt die lijst? Zijn het er meer, zijn het er minder?
Wat wel duidelijk is, is dat er in de komende jaren mogelijk voor nog meer miljoenen euro’s aan troep moeten worden opgeruimd, overal in Nederland. Vaak betaald door gemeentes, provincies, maar vooral door de belastingbetaler. Mede dankzij ons rapport heeft de staatssecretaris afgelopen jaar een tijdelijke stop afgekondigd op een aantal toepassingen van staalslakken.
Een tweede oorzaak waarom doelen niet gehaald worden, of vertraagd raken, is een gebrekkige, niet-effectieve afstemming tussen centrale en decentrale autonome overheden en inspecties. Dit is ook bij IenW aan de orde. De leefomgeving is niet alleen in Den Haag, maar is vooral regionaal. alle decentrale overheden en inspecties “gaan erover”. Voor de goede orde: we zien natuurlijk af en toe uitzonderingen en meestal zijn het dan de professionals die proberen het grotere belang te dienen.
Een aantal jaren geleden werkte de minister van toen EZK aan het ontwikkelen van geothermie: het gebruik van energie van de aarde in plaats van het verbranden van fossiele brandstoffen. Maar de winning van aardwarmte heeft risico’s voor waterwinning.
Chemicaliën die worden gebruikt voor geothermie konden lekken in drinkwatervoorraden. Die voorraden vielen onder een ander ministerie: IenW. Er was in het kabinet niet bepaald wat prioritair was: water of energietransitie. Uiteindelijk is dit, na ons rapport, opgelost in de Mijnbouwwet.
Een ander voorbeeld is de besparing van drinkwater. De overheid wil dat we per Nederlander in 2035 veel minder water gebruiken. We moeten naar 100 liter per persoon per dag, dat is zo’n 20 liter minder dan nu. Bedrijven moeten dan 20% minder water gebruiken. Anders ontstaan er volgens het RIVM al over een paar jaar tekorten. Op dit moment al kunnen niet alle bedrijven die dat aanvragen, worden aangesloten op het drinkwaternet. Het vorige kabinet wilde zuiniger omgaan met drinkwater. Het wilde tegelijkertijd veel huizen bouwen. Waterbesparingsmaatregelen als het gebruik van hemel- en grijswater werden in Nederland onderzocht op gezondheidsrisico’s. Het is jammer dat dat lang duurt. Zelfs als het antwoord positief is, kan de verplichting pas op zijn vroegst in 2028 ingaan. Tegen die tijd zullen er al veel huizen gebouwd zijn zónder waterbesparing. Een gemiste kans.
Het helpt bovendien ook niet als een andere minister (VRO) weinig ziet in het verplichten van waterbesparende maatregelen bij de bouw van woningen. Zij wil regelgeving bij het bouwen van huizen juist versoepelen. Gezondheid, woningen en water: dat vraagt of effectieve afstemming en het doorhakken van knopen.
Waterveiligheid is ook een terrein waar verschillende organisaties moeten samenwerken. Het is bij uitstek een thema waar in Nederland heel veel bestuurslagen bij betrokken zijn. In 2009 besloot de EU tot een Richtlijn Overstromingrisico. De minister vertaalde het naar Nederlands beleid. In die tijd ging het om drie lagen: 1. de dijk zelf, 2. aanpassingen achter de dijk en 3. crisismanagement in het geval de eerste en tweede laag niet voldoende zijn.
Voor ons rapport ‘Voorbij de Dijk’ over waterveiligheid concludeerden we dat in nog geen 5% van de door ons onderzochte projecten oplossingen achter de dijk waren meegenomen in het plan. Denk aan watergeulen, reservoirs, overstroombare gebieden met terpen voor vee, wateropvang bij woningen. Er waren ook geen crisisbeheersingsmaatregelen, zoals een verhoogde weg voor evacuatie, meegenomen. Op zich zijn deze bevindingen niet eens verrassend. Bestemmingsplannen aanpassen kost veel tijd en overleg, terwijl een waterschap vort wil en wil voldoen aan de normen. Betere afstemming zou hier kunnen leiden tot veel effectiever beleid.
Een laatste oorzaak voor vertraging die we vaak zien als het gaat om waterbeleid is een gebrek aan gevoel van urgentie. Natuurlijk niet in de sector zelf, dat spreekt voor zich. Drinkwaterbedrijven waarschuwen al jaren dat de rek eruit raakt. Dat bronnen vervuild raken, overbenut worden, en dat nieuwe waterwingebieden vinden tijdrovend is. Veiligheidsregio’s adviseren bij de ruimtelijke ordening meteen na te denken over evacuatieroutes. Waterschappen vragen al vele jaren om een gedragen nationale visie op ruimte, die bovendien uitvoerbaar is. Maar voor veel mensen en veel politici is schoon en genoeg (niet teveel en niet te weinig) water een vanzelfsprekendheid.
Het meest onderschatte of onderbelichte waterprobleem in Nederland is misschien wel de beschikbaarheid en kwaliteit van zoetwater. Overstromingen en wateroverlast zijn zichtbaar, acuut en mediageniek. Zoetwatertekorten of waterverontreinigingen zijn dat veel minder. Ze dienen zich sluipend aan. Ter informatie: eind dit jaar komen wij naar buiten met een onderzoek naar zoetwatertekorten.
Veel waterproblemen zijn dus geen technische problemen. Er is kennis en expertise genoeg om ze aan te pakken. Het zijn bestuurlijke problemen. Het vraagt om keuzes, om het stellen van duidelijke kaders en om het durven zeggen: dit kan niet overal meer. Vertraging maakt die keuzes alleen maar pijnlijker. Later dit jaar gaan we daar veel dieper op in, wanneer we ons rapport over de beschikbaarheid van zoetwater publiceren.
Wellicht zou u in mijn betoog kunnen horen dat het allemaal heel slecht gesteld is met de Nederlandse watersector. En ik snap het ook dat u voor de borrel niet zit te wachten op een onheilsprofeet.
We luiden het nieuwe jaar in, dus ik wil het opgewekt houden. Vandaar dat ik begon met de optimistische spreuk van dhr Leeflang op het monument van de Oosterscheldedam. Maar - ik ben in een goede bui vandaag – ik doe er nog een schepje bovenop:
De urgentie voor het oplossen van risico’s op het gebied van water is beperkt, maar dat is waarschijnlijk de wet van de remmende voorsprong. Decennialang waterbeleid en Nederlandse watervernuftigheid hebben ons in slaap doen sukkelen. Nederlanders maken zich voor het eerst in eeuwen nauwelijks druk over water, juist omdat we het zo goed georganiseerd hebben.
Het goede nieuws daarvan is dat Nederland al decennia voorop loopt in watermanagement, onze expertise wordt over de hele wereld geroemd. Ons drinkwater is van absolute topkwaliteit. In de jaren dat ik in Afrika en het Midden-Oosten woonde, kon ik soms echt heimwee hebben naar een glaasje water uit een Nederlandse kraan.
Ook al gaat de tijd gaat verder en verandert het klimaat, we hoeven dus niet bij de pakken neer te zitten. Kijk naar de tekst van Leeflang en het hoopvolle ‘wij’.
Wij lossen namelijk problemen op, daar waren we goed in en daar zijn we goed in. Met ‘wij’ bedoel ik U, jullie, kennisinstellingen, de politiek, de overheden, bedrijven, burgers. Niet alles is kommer en kwel.
Bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zien we positieve stappen: er wordt gewerkt aan meer inzicht in de stand van zaken, concretisering van concrete doelen. Zo hadden we vorige maand nog een delegatie IenW-ambtenaren bij de Rekenkamer op bezoek. Ze kwamen om met ons van gedachten te wisselen over hoe je effectiviteit van het beleid voor drinkwaterbesparing kunt meten. Dan wordt het namelijk mogelijk om veel gerichter te sturen op de gestelde doelen.
Dat is de kracht van het ‘wij’. Wij kunnen het nog steeds. En ook de huidige problemen kunnen we oplossen. Als we samenwerken, duidelijke doelen stellen en tempo blijven maken in het realiseren van die doelen. U heeft dat de afgelopen jaren laten zien en blijft er elke dag hard aan werken. Ik wil daarom u hartelijk danken voor al uw inzet voor ons land en u het beste wensen in 2026.
Dankuwel.