In meer dan 75% van de natuurveengebieden worden de doelen voor oppervlakte en kwaliteit van natuurveen niet gehaald. Belangrijke oorzaken zitten vaak in de omgeving van het veen, zoals verdroging, slechte kwaliteit van het water en stikstof. Dat concludeert de Algemene Rekenkamer vandaag in het rapport ‘Natuurbeleid voor het veen: een moeras?’.

Naar het rapport

Veen is een natte, sponsachtige grondsoort die bestaat uit afgestorven plantaardig materiaal. Natuurveengebieden zijn niet alleen heel belangrijk voor de biodiversiteit, maar ze houden ook vele tonnen koolstofdioxide (CO2) vast in de grond en helpen daarmee om de klimaatdoelen te halen. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) heeft op basis van Europese verplichtingen een aantal doelen voor natuurgebieden zoals veen, zoals voor de kwaliteit en de oppervlakte. Hij heeft tussen 2021 en 2030 bijna € 2 miljard beschikbaar gesteld om de negatieve gevolgen van stikstofdepositie te verminderen en de biodiversiteit te verbeteren. 

De Rekenkamer onderzocht 173 veengebieden verspreid over Nederland en keek of de doelen worden gehaald. Dat kan zijn om het gebied te verbeteren of te vergroten, maar het doel kan ook behoud zijn van wat er al is. Voor het overgrote deel van het Nederlandse natuurveen zijn de doelen niet gehaald. Slechts 18 van de 173 veengebieden (10%) voldoen aan de kwaliteitscriteria. Het meest positieve beeld ziet de Rekenkamer bij de doelen voor oppervlakte, maar ook daaraan voldoet driekwart niet.

Voor overgrote deel veengebieden worden de kwaliteitsdoelen niet gehaald

De kwaliteitsdoelen van de natuur worden voor het overgrote deel van de 173 veengebieden niet gehaald. 79 veengebieden hebben als doel het behouden van de kwaliteit van de natuur. Daarvan halen 67 gebieden dit doel niet, dat is 85 procent. De overige 94 veengebieden hebben als doel het verbeteren van de kwaliteit van de natuur. Daarvan halen 88 gebieden dit doel niet, dat is 94 procent.

Beheer helpt wel, maar niet voldoende

Belangrijke oorzaken van de slechte staat van veengebieden zijn verdroging, slechte waterkwaliteit, stikstof, invasieve exoten, verstoring en versnippering. Dit zijn verstorende ‘drukfactoren’ uit de omgeving. Terreinbeheerders werken aan beheer en herstel van de gebieden om aan de natuurdoelen te voldoen. Hun werk heeft weliswaar een positief effect, maar dat is onvoldoende om de doelen te halen. Door de invloed van deze drukfactoren moeten terreinbeheerders tegen de stroom in roeien. 

Oplossing ligt rondom de gebieden zelf

Om de veengebieden te verbeteren moet de oplossing dus gezocht worden in de directe omgeving van het gebied. In de natuurveengebieden zelf hebben de provincies de regie. Net buiten de gebieden is het belangrijk om ‘bufferzones’ aan te leggen, maar in die zones werkt het anders: daar hebben verschillende organisaties het voor het zeggen. Provincies, gemeenten, waterschappen en de Rijksoverheid hebben daar allemaal een rol. Daardoor is in die gebieden de regie minder duidelijk dan in de natuurveengebieden. In deze zone rond natuurgebieden is de provincie sterk afhankelijk van andere bestuurslagen en private partijen. Die afhankelijkheid zorgt vaak voor lange, stroperige processen; het is een moeras van bestuurlijke besluitvorming.

Minister stuurt onvoldoende

De minister van LVVN is verantwoordelijk voor de resultaten van het beleid en het voldoen aan de Europese verplichtingen, maar hij vult in de praktijk zijn rol slechts beperkt in. Hij heeft weliswaar instrumenten om zijn beleid door te zetten, maar kan die volgens de Rekenkamer nog beter inzetten. Als de minister dit niet doet komen de doelen voor veengebieden maar ook voor andere natuurgebieden in Nederland in gevaar.