Kans op betere prestaties in strafrechtketen

Minister moet nadrukkelijker regie voeren: van melding tot uitvoering straf

De minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) is verantwoordelijk voor het proces van opsporing, vervolging, berechting en straffen. Hij kan in dat proces meer bereiken door betere informatievoorziening en betere regie. Uit onderzoek blijkt dat de partijen in de strafrechtketen niet weten hoeveel gewelds- en vermogensmisdrijven tegen de regels in blijven liggen of niet worden behandeld. Ook komen situaties voor waarin door politie en Openbaar Ministerie (OM) veel tijd wordt gestoken in zaken die uiteindelijk geen afronding krijgen. Bovendien is niet bekend hoeveel en wat voor soort zaken het OM terugstuurt naar de politie en wat er met deze zaken gebeurt. Daarnaast worden gevangenisstraffen vaak niet uitgezeten en boetes niet geïncasseerd. Met goede informatie en meer regie van de minister kunnen de prestaties in de strafrechtketen worden geoptimaliseerd. Dat schrijft de Algemene Rekenkamer in het rapport ‘Prestaties in de strafrechtketen’, dat op 29 februari 2012 is gepubliceerd.

Van 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2010 kwamen bij de politie ruim 1 miljoen meldingen van gewelds- en vermogenscriminaliteit binnen. Daarvan werd circa 9% doorgeleid aan het OM. Het OM legt 63% van zijn dossiers voor aan de rechter, en dat leidt in 83% van de gevallen tot een veroordeling. Dit komt overeen met circa 5% van de aanvankelijke meldingen. Daarnaast handelen politie en OM 3% van de gevallen zelf af, bijvoorbeeld door een boete op te leggen.
De zaken die de politie niet zelf afdoet of doorgeleidt naar het OM, krijgen bijvoorbeeld geen vervolg omdat er na melding van een incident geen aangifte wordt gedaan. Dit is terecht. Maar vooral bij veelvoorkomende criminaliteit gebeurt het dat de politie zaken tegen de regels in terzijde legt vanwege capaciteitsproblemen. Deze uitstroom is ongewenst: verdachten gaan vrijuit die eigenlijk wel opgespoord en vervolgd zouden moeten worden. Hoe vaak dit gebeurt is niet bij politie en justitie bekend. Daarnaast kunnen politie en OM niet aangeven wat er gebeurt met zaken die het OM terugstuurt naar de politie, bijvoorbeeld omdat het dossier onvolledig is of termijnen verstreken zijn.

Sturing op ongewenste uitstroom niet mogelijk door gebrekkige informatie

De Algemene Rekenkamer heeft onderzocht hoe zaken van politie naar OM, rechtbanken en organisaties die de straffen uitvoeren doorstromen. De cijfers in de administraties van deze organisaties blijken niet op elkaar aan te sluiten: zo zegt het OM veel meer zaken van de politie te ontvangen dan volgens de politie zijn aangeleverd. Bovendien is onduidelijk hoeveel zaken niet doorstromen terwijl dat wel zou moeten. Door het ontbreken van deze informatie kunnen de minister en de uitvoerende  organisaties moeilijk voorkomen dat op delicten geen opsporing en vervolging volgt, terwijl dat wel zou moeten. De Algemene Rekenkamer beveelt de minister van Veiligheid en Justitie aan nadrukkelijker regie te voeren op het hele proces van melding van criminaliteit tot en met de uitvoering van de eventuele straf. Daarbij moet specifiek aandacht zijn voor het voorkomen van ongewenste uitstroom. Het beleid van de betrokken organisaties moet hierop aansluiten. 

Gebrek aan sturing leidt tot ondoelmatigheid en rechtsongelijkheid

De Algemene Rekenkamer beschrijft in haar rapport dat het gebrek aan sturing op ongewenste uitstroom leidt tot ondoelmatigheid. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer de politie in een kansrijke zaak sporenonderzoek heeft gedaan en verdachten en getuigen zijn gehoord, maar de zaak niet wordt afgerond door capaciteitsgebrek en nieuwe  zaken die aandacht vragen. In deze zaken is dan al veel capaciteit van de politie gestoken.
Het gebrek aan sturing leidt ook tot rechtsongelijkheid. Politiekorpsen maken verschillende keuzes bij het in behandeling nemen van zaken die volgens de regels van het OM opvolging zouden moeten krijgen. Daardoor kan bijvoorbeeld internetfraude in de ene regio zonder gevolg voorbij gaan, terwijl dit op andere plaatsen in Nederland wel gevolgen heeft. Ook wordt een deel van de veroordeelde daders door executieverjaring uiteindelijk niet gestraft.  

Reactie minister en Korpsbeheerdersberaad, nawoord Algemene Rekenkamer

De minister en het Korpsbeheerdersberaad (Kbb) hebben gereageerd op het rapport en herkennen zich grotendeels in de conclusies en aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer. De minister beschrijft bovendien een groot aantal initiatieven, zoals de Nationale Politie, die het proces van opsporing vervolging en eventueel straffen moeten verbeteren.  Nieuwe toezeggingen doen minister en Kbb in deze reacties niet.
De Algemene Rekenkamer noemt deze initiatieven in haar nawoord betekenisvol, en herhaalt haar pleidooi om beleid te ontwikkelen voor het proces van melding tot opsporing, vervolging en eventuele straf als geheel. De minister heeft inmiddels aangekondigd de Tweede Kamer per brief nog nader te informeren.