Mandaat en volmacht personeelsaangelegenheden Algemene Rekenkamer 2018

De secretaris van de Algemene Rekenkamer,

Overwegende dat gezien de inwerkingtreding van de Comptabiliteitswet 2016, het wenselijk is de verwijzingen in het besluit mandaat en volmacht personeelsaangelegenheden Algemene Rekenkamer 2017 te actualiseren;

Overwegende dat de secretaris een aantal bevoegdheden betreffende personeelsaangelegenheden wenst te mandateren aan de directeuren;

Gelet op artikel 2 van de Instructies voor de secretaris vastgesteld bij Besluit van 5 december 2017 (nr. 17007899);

Besluit:

Artikel 1. Secretaris

​1. Conform artikel 1 van de Instructies voor de secretaris, vastgesteld bij besluit van 5 december 2017 (nr. 17007899), is de secretaris belast met de ambtelijke leiding van al hetgeen de Algemene Rekenkamer betreft. Daartoe behoren in ieder geval:

  • het inzetten van organisatie- en formatieveranderingen naar aanleiding van de door het college vastgestelde hoofclstructuur;
  • beslissen over de inzet van externen voor de categorieën interim management en Organisatie- en formatie-advies;
  • besluiten tot toepassing van disciplinaire maatregelen als bedoeld in artikel 80 tot en met 84 en de artikelen 91 en 92 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
  • besluiten tot toepassing van hardheidsclausules, zoals opgenomen in het Algemene Rijksambtenarenreglement (ARAR) en interne regelingen van de Algemene Rekenkamer;
  • besluiten tot toepassing van een bijzondere aanstelling in tijdelijke dienst, goedkeuring van buitengewoon verlof en besluiten in het kader van een reorganisatie als bedoeld in de artikelen 6a, 34, 34e, 49a tot en met 49q van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
  • besluiten tot ontslag conform de artikelen 98 en 99 van het Algemene Rijksambtenarenreglement en ontslag op eigen verzoek met vertrekregeling;
  • besluiten tot toepassing van hardheidsclausules, zoals opgenomen in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, daaruit afgeleide regelingen en interne regelingen van de Algemene Rekenkamer;
  • het vaststellen van niet-individuele regelingen voor zover de Ambtenarenwet, het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) dan wel daaruit voortvloeiende regelgeving deze mogelijkheid bieden;
  • het vaststellen van regels op het gebied van personeelsaangelegenheden;
  • het geven van aanwijzingen op het gebied van personeelsaangelegenheden;
  • besluiten over personeelsaangelegenheden ten aanzien van de onder de secretaris ressorterende functionarissen.

2. Aan de secretaris wordt tevens mandaat verleend tot het nemen van beslissingen op bezwaarschriften. De secretaris informeert het college zodra een dergelijk bezwaarschrift aanhangig is. Tevens informeert hij het college over de afhandeling daarvan.

3. Van het gestelde onder het tweede lid zijn uitgezonderd de primaire besluiten die de secretaris zelf krachtens mandaat heeft genomen. Ten aanzien van die besluiten neemt het college de beslissingen op bezwaarschriften.

4. Bij langdurige afwezigheid van de secretaris blijven de bevoegdheden op het gebied van personeelsaangelegenheden bij de president. Bij korte afwezigheid van de secretaris worden besluiten inzake personeelsaangelegenheden aangehouden tot na zijn terugkeer.

Artikel 2. Directeur onderzoek

1. De directeur onderzoek wordt mandaat en volmacht verleend met betrekking tot de personele aangelegenheden die verband houden met zijn’ taken en de taken van de onder hem ressorterende onderdelen, onverminderd de mandaatverlening in artikel 1. De directeur onderzoek neemt bij de uitoefening van zijn mandaat artikel 5 van dit besluit in acht.

2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:

  • de taken van integraal management op personeelsgebied;
  • het Ieidinggeven aan de onder de directeur onderzoek ressorterende functionarissen.

3. Bij afwezigheid van de directeur onderzoek treedt een van de andere directeuren onderzoek of de directeur staf in zijn plaats. Bij korte afwezigheid worden besluiten inzake personeelsaangelegenheden aangehouden.

Artikel 3. Directeur staf

1. De directeur staf wordt mandaat en volmacht verleend met betrekking tot de aangelegenheden die verband houden met zijn taken en de taken van de onder hem ressorterende onderdelen, onverminderd de mandaatverlening in artikel 1. De directeur staf neemt bij de uitoefening van zijn mandaat artikel 5 van dit besluit in acht.

2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval: a. de taken van integraal management op personeelsgebied; b. het leidinggeven aan de onder de directeur staf ressorterende functionarissen.

3. Bij langdurige afwezigheid van de directeur staf treedt een van de directeuren onderzoek in zijn plaats. Bij korte afwezigheid worden besluiten inzake personeelsaangelegenheden aangehouden.

Artikel 4. Manager

1. De manager wordt mandaat en volmacht verleend om besluiten te nemen in het personeelsinformatiesysteem voor zover de manager in het
personeelsinformatiesysteem is geautoriseerd. De autorisatie geldt voor individuele besluiten voor medewerkers die onder hem ressorteren, voorzover deze besluiten voortvloeien uit het ARAR of het BBRA. De manager neemt bij de uitoefening van zijn mandaat artikel 5 van dit besluit in acht.

2. Bij langdurige afwezigheid van de manager benoemt de directeur zo nodig een vervanger.

Artikel 5. Procedure en begrenzing mandaat

In het algemeen geldt een informatie-, signalerings- en verantwoordingsplicht jegens degene die het mandaat en de volmacht heeft verleend. Dit geldt in het bijzonder voor die gevallen waarin leidinggevenden willen afwijken van het personeelsbeleid, het ARAR, het BBRA, het personeelsbeleid van de Algemene Rekenkamer, budgetafspraken, aanwijzingen van de secretaris en adviezen van het team P&O/FAZA.
Voor elke functionaris aan wie bij dit besluit mandaat en volmacht is verleend geldt het volgende:

1. Directeuren leggen besluiten over werving en selectie, belonen, overwerk, in en doorstroom, ontslag, detachering, interne overplaatsing tussen directies, plaatsing in een andere functie, ophoging van aanstellingsuren, meer werken in het kader van IKAP en bijzondere verlofvormen (zoals levensloopverlof, studieverlof, pas-regeling) en andere rechtspositioneel, formatief en/of budgettair meer complexe besluiten vooraf aan de personeelsadviseur voor ter toetsing. De personeelsadviseur toetst het besluit aan het ARAR, BBRA, het beleid van de Algemene Rekenkamer, budgetafspraken en aanwijzingen van de secretaris. Voor zover deze besluiten betrekking hebben op managers, stemt de directeur deze besluiten na toetsing door de personeelsadviseur eerst af met de secretaris.

2. Managers leggen besluiten waarvoor zij in het personeelsinformatiesysteem zijn geautoriseerd en die betrekking hebben op de onderwerpen die genoemd zijn in artikel 5 lid 1 vooraf aan de personeelsadviseur voor ter toetsing. De personeelsadviseur toetst het besluit aan het ARAR, BBRA, het beleid van de Algemene Rekenkamer, budgetafspraken en aanwijzingen van de secretaris. 
Daarna gaat het besluit met het advies van de personeelsadviseur naar de directeur voor goedkeuring. De manager kan het besluit daarna in het
personeelsinformatiesysteem afhandelen.

3. Een directeur of manager kan bij besluiten die genoemd zijn in artikel S lid 1 uitsluitend afwijken van het advies van de personeelsadviseur na goedkeuring van de secretaris. Degene die dat besluit neemt informeert de personeelsadviseur. 

4. Rechtspositioneel, formatief en/of budgettair minder complexe besluiten over werktijden, verlaging van aanstellingsuren, reiskosten en regulier verlof, compensatieverlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof, ouderschapsverlof, adoptievertof, zorgverlof, calamiteitenverlof, en IKAP-aanvragen worden genomen conform het ARAR, BBRA, het beleid van de Algemene Rekenkamer, budgetafspraken en aanwijzingen van de secretaris. Zo nodig ondersteunt de personeelsadviseur. Een directeur of manager informeert de personeelsadviseur over besluiten tot verlaging van aanstellingsuren.

5. Voor besluiten die aan de secretaris zijn voorbehouden kunnen directeuren voorstellen indienen bij de secretaris. Zij voegen bij dat voorstel het advies van de personeelsadviseur.

6. De directeuren en managers leggen periodiek verantwoording af over de aan hen gemandateerde verantwoordelijkheden en bevoegdheden en zij verstrekken de secretaris regelmatig inlichtingen over de resultaatgebieden en prestatie indicatoren die zijn vastgelegd in hun kernprofiel in het functiegebouw.

7. Voor het afstemmings- toetsings- en besluitvormingsproces geldt een informatieplicht richting de personeelsadviseurs.

Artikel 6. Manager P&O/FAZA, manager Bestuur & Financiën en senior adviseur-controller

1. De directeuren zijn verantwoordelijk voor de personeelsbudgetten. De manager P&O/FAZA ondersteunt de directeuren bij het beheer van de personeelsbudgetten. De manager Bestuur & Financiën levert maandelijks managementinformatie aan. De manager P&O/FAZA ziet met de controller toe op het budgetbeheer van de directeuren.

2. De manager P&O/FAZA beheert het centrale opleidingsbudget.

3. De manager P&O/FAZA is beslissingsbevoegd ten aanzien van en verantwoordelijk voor het beheer van de materiële budgetten voor
personeelsaan gelegenheden.

4. De senior adviseur-controller ziet toe op de registratie van het afstemmings-, toetsings- en besluitvormingsproces en op controle achteraf van de juiste uitvoering van besluiten over personele aangelegenheden. De senior adviseur controller verkrijgt hiertoe alle informatie die hij nodig acht voor het uitvoeren van zijn taak. De senior adviseur-controller rapporteert hierover aan de secretaris.

Artikel 7. Ondertekening

1. De ondertekening van een krachtens dit mandaatbesluit genomen besluit luidt als volgt:

De Algemene Rekenkamer,
namens deze,

handtekening
<naam,>
<functie>

2. Het eerste lid is niet van toepassing op elektronische besluiten die worden genomen via het P-Direktportaal. Uit deze besluiten blijkt welke functionaris ze krachtens mandaat heeft genomen.

Artikel 8. Inwerkingtreding

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018, het besluit mandaat en volmacht personeelsaangelegenheden Algemene Rekenkamer 2017 vastgesteld bij besluit van 27 juni 2017 (nr. 17004411), vervalt met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.

2. Dit besluit wordt gezonden aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In de Staatscourant wordt een verwijzing opgenomen naar de website van de Algemene Rekenkamer waarop het besluit gepubliceerd wordt.

3. Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Besluit mandaat en volmacht personeelsaangelegenheden Algemene Rekenkamer 2018’.

Den Haag, 5 december 2017

drs. C. (Cornelis) van der Werf,
secretaris

drs. A.P. (Arno) Visser,
president

drs. C. (Cornelis) van der Werf,
secretaris

1 ) Waar in dit besluit “zijn” Staat wordt geacht ook “haar” te kunnen staan.