Gelijke kansen in het mbo

Niet alle studenten in het mbo hebben een gelijke kans om onderwijs te volgen dat bij hun capaciteiten past. De Algemene Rekenkamer onderzoekt of de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) haar doelen voor het verminderen van kansenongelijkheid van mbo-studenten bereikt.

Waarom onderzoeken we dit?

Het mbo leidt jaarlijks circa 500.000 studenten op voor vitale beroepen in de hulpverlening, transport en logistiek, voedsel en de zorg. Leerlingen die niet de opleiding volgen die ze op basis van hun capaciteiten zouden kunnen volgen, krijgen mogelijk banen met een lager inkomen, minder goede arbeidsomstandigheden en meer financiële onzekerheid. Ook de Nederlandse samenleving als geheel loopt daardoor hun potentieel mis. 

Wat zijn de onderzoeksvragen?

Wij willen onderzoeken of het beleid van de minister van OCW inderdaad leidt tot minder kansenongelijkheid. Zo stelt de minister van OCW onder andere in de periode 2018-2022 jaarlijks circa €400 miljoen extra beschikbaar om de onderwijskwaliteit van het mbo te verhogen, waaronder ook het bevorderen van gelijke kansen. Als het beleid niet leidt tot minder kansenongelijkheid, willen we achterhalen hoe dat komt en aangeven wat de minister beter zou kunnen doen. We doen dat door eerst vast te stellen wat de minister van OCW doet aan het verminderen van kansenongelijkheid van mbo-studenten. Vervolgens gaan we na waar en bij wie kansenongelijkheid voorkomt, welke factoren hierop van invloed zijn en hoe kansenongelijkheid zich in de tijd heeft ontwikkeld. Daarna onderzoeken we bij een aantal mbo-scholen in de praktijk wat zij doen om kansenongelijkheid te verminderen, wat dat heeft opgeleverd en hoe docenten, medewerkers, stagewerkgevers en studenten dat ervaren. 

Stand van zaken

Gelijke kansen in het mbo