U bevindt zich op: Home › Publicaties › Toespraken › Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak
Speech uitgesproken door Gijs de Vries op het congres Toezicht en verantwoording in de schijnwerpers.
Het kan raar lopen. Wij zijn hier bijeen in het Fortis
Circustheater. Als inwoner van Scheveningen ken ik het sinds jaar
en dag als het Circustheater van Joop van den Ende. Maar nu Fortis
goedbeschouwd een staatsbank is geworden, zitten we hier dus
eigenlijk in een staatscircus. Het geeft maar weer eens aan welke
verschillende gedaantes de overheid vandaag de dag aanneemt.
Vandaag spreken wij over instellingen op afstand van het rijk. Veel
belangrijke taken die in de wet zijn geregeld, zoals onderwijs,
uitvoering van de sociale zekerheid, opsporing van strafbare
feiten, beheer van de natuur en uitgifte van kentekens, worden
uitgevoerd door zelfstandige instellingen die worden gefinancierd
met publiek geld. De Sociale Verzekeringsbank, het Centraal Bureau
Rijvaardigheidsbewijzen, Staatsbosbeheer, het Nederlands
Meetinstituut, scholen voor beroepsonderwijs, de publieke omroepen,
de 25 politieregio’s – zo’n 1900 instellingen in ons land zijn
rechtspersonen met een wettelijke taak. Elke Nederlander
heeft met ze te maken. In 2004 gaven zij gezamenlijk 117,5 miljard
euro uit. Dit was meer dan de ministeries bij elkaar uitgaven. Er
werken bij deze instellingen (rwt’s) naar schatting zo’n 500.000
mensen.
Het maatschappelijk belang van deze rwt’s is groot. Zij verrichten
met publieke middelen essentiële publieke diensten. Hun werk is
medebepalend voor de kwaliteit van de samenleving. Hoewel rwt’s
zelfstandige instellingen zijn, worden ministers en Kamerleden
dikwijls aangesproken op hun functioneren. Bijvoorbeeld als het
Kadaster zijn tarieven verhoogt of als de Rijksdienst voor het
Wegverkeer op zoek gaat naar 270.000 ‘spookauto’s’. Hoe deze
instellingen op afstand van het rijk hun taken vervullen is
medebepalend voor het vertrouwen van burgers in de overheid. Het
zal dan ook niet verbazen dat de Algemene Rekenkamer al vele jaren
onderzoek doet naar de wijze waarop ministers invulling geven aan
de ministeriële verantwoordelijkheid voor deze instellingen.
In 1995 publiceerde de Algemene Rekenkamer haar eerste onderzoek op
dit terrein.
In navolging van Professor Scheltema en de WRR zagen wij een
wildgroei in de inrichting en vormgeving van zelfstandige
bestuursorganen (zbo’s). En noch het kabinet, noch het parlement
beschikte over goede informatie om deze organisaties aan te sturen
en te controleren. In 1998 zijn wij ook onderzoek gaan doen naar
rwt’s. De aanleiding tot deze reeks was onze constatering dat de
Tweede Kamer onvoldoende inzicht had in de rechtmatigheid en het
financieel beheer bij rwt’s. Zoals u weet is van de zbo’s ongeveer
70% ook rwt, en, van de rwt’s (als onderwijsinstellingen buiten
beschouwing worden gelaten) is ongeveer 80% eveneens zbo.
Wat heeft 10 jaar rekenkameronderzoek naar rechtspersonen met een
wettelijke taak ons opgeleverd?Ik prijs mij gelukkig met de lovende
woorden van de minister van Financiën in zijn reactie op ons rwt
5-Terugblikrapport, dat gisteren is gepubliceerd. Hij stelt dat
onze rwt-strategie “zeer succesvol” is geweest, en dat als gevolg
ervan de aandacht voor rwt’s nu stevig verankerd is binnen de
departementen. Natuurlijk komt dit compliment vooral de
departementen en de instellingen zelf toe. Er is inderdaad veel
verbeterd. Meer instellingen dan vroeger leggen bijvoorbeeld
publiekelijk verantwoording af. Ten langen leste is de Kaderwet zbo
in 2007 in werking getreden, waardoor de verantwoordelijkheden van
de minister en veel instellingen in de wet zijn vastgelegd en
verduidelijkt. Ministers hebben voor meer instellingen die publiek
geld uitgeven vastgelegd hoe zij toezicht willen houden. En sommige
van de instellingen die een paar jaar geleden nog geen jaarlijkse
rechtmatigheidsverklaring hadden, hebben die nu wel. Toch kunnen
zowel de verantwoording door rwt’s als het toezicht op hun
functioneren nog verder worden verbeterd. Ik noem een drietal
terreinen waar nog belangrijke stappen noodzakelijk zijn:
Over hoeveel instellingen hebben wij het eigenlijk, als wij
spreken over instellingen op afstand van het rijk? Als dat
overzicht niet volledig is, is het onduidelijk waarvoor de minister
precies verantwoordelijkheid draagt. En dan kunnen controlerende
organisaties (Algemene Rekenkamer en parlement) hun werk niet goed
doen, want die moeten de aard en omvang van het controle-object
kennen.Dit overzicht ontbrak tot 10 jaar geleden ten enenmale.
Vandaag bevatten de departementale begrotingen en jaarverslagen een
Toezichtbijlage waarin is aangegeven welke zelfstandige
organisaties tot het domein van het betreffende ministerie behoren.
En anders dan in de jaren negentig brengen veel zelfstandige
bestuursorganen en rwt’s tegenwoordig een publiek jaarverslag
uit. Daarnaast zijn er inmiddels rijksbrede overzichten voorhanden.
Op de website van het Ministerie van BZK is het zbo-register te
raadplegen en voor een overzicht van alle rechtspersonen met een
wettelijke taak kan men op de website van de Algemene Rekenkamer
terecht.
De invoering van de Kaderwet zbo’s – ik zei het al – is een stap
vooruit. Helaas is van meet af aan een groot aantal organisaties
uitgezonderd van de wet of van bepalingen van de wet. Wat ons
betreft zou de werking van de kaderwet mogen worden uitgebreid
zodat ze ook alle rechtspersonen met een wettelijke taak omvat. De
implementatie van de wet zullen we dus aandachtig blijven
volgen.
Een andere kanttekening is dat de overheid, afgezien van zbo’s en
rwt’s, steeds vaker in andere hoedanigheden in het publieke domein
actief is. Te denken valt aan door de overheid opgerichte
stichtingen, PPS-constructies, en andere rechtsvormen. Het zicht en
overzicht op deze verbindingen is zeer beperkt, ze hebben ook
nauwelijks een plek in de begroting en verantwoording van de
ministeries. Hoewel het kabinet in 2006 in het ‘Kader voor
stichtingen’ vastlegde dat de overheid alleen bij uitzondering
betrokken mag zijn bij de oprichting van stichtingen, is de
praktijk dat het aantal opgerichte overheidsstichtingen niet daalt,
en dat overheidspersoneel in die stichtingen wordt ondergebracht.
Daarnaast is recentelijk door BZK de term ‘tariefgefinancierde
diensten’ in het leven geroepen en ligt er een wetsvoorstel voor
zogeheten ‘maatschappelijke ondernemingen’ in het parlement. Voor
de burger is lang niet altijd duidelijk meer waar de overheid nu
wel en niet verantwoordelijk voor is.
De vicepresident van de Raad van State heeft het over een
“problematische tussenlaag” en de Nationale Ombudsman beschrijft
hoe er door deze tussenlaag een zekere vervreemding in de
verhouding tussen de burger en de overheid is ontstaan. Ik citeer
uit zijn meest recente Jaarverslag: “In onze complexe samenleving
heeft de overheid vele gedaanten gekregen: er zijn honderden
overheidsorganen. De overheid specialiseert en verkokert steeds
meer en is daarmee zelf te complex geworden. […]
Als er iets mis gaat ontdekken burgers hoe complex de overheid
in elkaar zit en hoe moeilijk het is om fouten ongedaan te laten
maken. Burgers worden vaak van loket naar loket gestuurd, omdat
geen enkel overheidsorgaan zich verantwoordelijk
voelt”.
Alex Brenninkmeijer zal later vandaag stilstaan bij de relatie
tussen burgers en uitvoeringsorganisaties. Dat betekent dat ik mij
kan richten op de verhoudingen tussen de rwt’s, de ministeries en
het parlement. Hoe oefent de minister zijn verantwoordelijkheid
uit, en hoe kan het parlement dat vervolgens weer controleren?
Voor de uitoefening van hun taken krijgen rwt’s geld van de
overheid of mogen zij heffingen vragen van de burgers. Omdat
burgers verplicht zijn deze heffingen te betalen, gaat het ook hier
om publiek geld. Over dat geld moeten ministers verantwoording
afleggen aan het parlement. Ook moet voor de Kamers duidelijk zijn
of de instellingen volgens de minister hun wettelijke taken naar
behoren uitvoeren. De wijze waarop ministers hierover
verantwoording afleggen is voor verbetering vatbaar. In de eerste
plaats krijgt het parlement geen volledig overzicht van de publieke
geldstromen naar de instellingen op afstand van het rijk. Met
uitzondering van de ministeries van SZW en VWS geven ministers de
Kamers geen informatie over de opbrengst van premies en tarieven
voor rwt’s. Daarbij gaat het om een bedrag van ongeveer € 2
miljard.
Een tweede lacune heeft betrekking op informatie over de reserves
en de vermogenspositie van instellingen. De jaardocumenten van de
ministeries bevatten nog steeds geen informatie op dit punt,
terwijl dit wel van belang is voor het parlement, zoals onlangs
bleek in de discussies over de omvang en inzet van reserves bij de
politiekorpsen. Onvolledig is de verantwoording aan Tweede en
Eerste Kamer nog op een derde punt. Wanneer doet een instelling het
goed? Over het functioneren en presteren van rechtspersonen met een
wettelijke taak rapporteren de meeste ministers alleen als er iets
echt mis is, dus bij wijze van uitzondering. Als zij in hun
jaarverslag niets schrijven over rwt’s, dan moet de samenleving er
kennelijk maar van uitgaan dat alles in orde is: geen nieuws is
goed nieuws. Dat zou te rechtvaardigen zijn, als de ministers
zouden aangeven aan welke normen zij hun rwt’s hebben getoetst.
Zeven ministers laten dit na. Zo weet niemand of deze ministers
toezicht hebben uitgeoefend, en aan de hand van welke criteria. En
dat terwijl het gaat om de uitoefening van wettelijke taken, met
geld van de burger. Hier wordt de ministeriële verantwoordelijkheid
te eng geïnterpreteerd. Gelukkig laat het ministerie van VROM zien
dat het ook anders kan. VROM geeft aan dat de publieke
taakuitoefening van ‘haar’ zelfstandige organisaties van voldoende
kwaliteit is, en legt uit hoe het tot dit oordeel komt.
De inrichting van het toezicht is het derde terrein waarop
verbetering wenselijk is. Het toezicht op de
uitvoeringsorganisaties is het afgelopen decennium
geprofessionaliseerd. Vrijwel alle departementen beschikken vandaag
de dag over toezichtvisies en over specifieke
toezichtarrangementen. Ook Financiën ziet inmiddels het belang in
van een toezichtvisie, althans voor wat betreft het toezicht op DNB
en AFM. Een stap die door de meeste ministeries nog wel moet worden
gezet, is de openbaarmaking van de toezichtvisies. Ook inhoudelijk
zijn de visies nog niet uitgekristalliseerd. Bij 15
instellingen ontbreekt nog een verklaring van de accountant dat de
inning en besteding van geld volgens de geldende regelingen
plaatsvindt. Bijvoorbeeld bij het Loodswezen en de Stichting
Participatiefonds.
Wanneer we over ‘toezicht’ spreken kunnen we niet voorbijgaan aan
de grote vlucht die het horizontale, interne toezicht de afgelopen
periode heeft genomen. Dit is het toezicht op het bestuur door een
orgaan binnen dezelfde organisatie. Ook door middel van
kwaliteitsinstrumenten zoals visitaties, benchmarks,
keurmerken en klanten- of cliëntenraden is de ‘accountability’ van
zelfstandige organisaties fors toegenomen. Zo begreep ik dat de
Sociale Verzekeringsbank aan maar liefst 9 gremia verantwoording
aflegt. Dat lijkt mij trouwens wat veel, maar ik ben benieuwd naar
wat u ervan vindt.
Er wordt wel eens gesuggereerd dat als gevolg van de ontwikkeling
van horizontale, interne arrangementen van toezicht en
verantwoording fors kan worden bezuinigd op het toezicht door de
minister op zelfstandige instellingen. Kan horizontaal toezicht
verticaal toezicht inderdaad grotendeels vervangen? Voor die
conclusie lijkt het bepaald nog te vroeg. Tal van incidenten, van
zorginstellingen tot woningcorporaties en van het onderwijs tot de
publieke omroep, wijzen erop dat van het intern toezicht niet
altijd voldoende disciplinerende werking uitgaat. Ook uit onderzoek
van de Algemene Rekenkamer blijkt dat intern toezicht, ondanks tal
van verbeteringen, nog volop in ontwikkeling is.
Ik doe een greep uit onze rapporten van de afgelopen tijd. Veel
raden van toezicht ontbreekt het nog aan een goede verantwoording
over hun toezichtactiviteiten. Onderwerpen als kwaliteit,
risicobeheersing, en integriteit krijgen nog onvoldoende aandacht.
Uit ons onderzoek blijkt dat verslagen van raden van toezicht wel
inzicht geven in de besproken onderwerpen, maar vaak niet in de
resultaten van het overleg. Het zou ook goed zijn als raden van
toezicht in hun verslag een oordeel zouden geven over het bestuur
en het gevoerde beleid. Het aantal instellingen met een publiek
jaarverslag is sterk toegenomen, maar nog altijd hebben 19 rwt’s
(samen goed voor € 400 miljoen) geen jaarverslag dat voor het
publiek gemakkelijk, zoals via internet, is in te zien.
In ieder geval is er ook een principiële reden waarom horizontaal,
intern toezicht geen alternatief kan zijn voor verticaal toezicht.
De ministeriële verantwoordelijkheid – ook in de zin van de
verantwoordelijkheid voor het systeem van wet- en regelgeving – is
een hoeksteen van onze parlementaire democratie. Op publiek geld
behoort publieke controle te zijn. Natuurlijk moet die controle met
verstand worden uitgeoefend, maar toezicht door departementen dient
niet te gemakkelijk als overlast te worden afgedaan. Misschien
heeft de samenleving wel meer te lijden van een tekort aan toezicht
door de overheid dan van een teveel daaraan.
Iedere vijf jaar stelt de Algemene Rekenkamer zijn onderzoeksstrategie vast. Wij staat aan het begin van een nieuwe periode. Daarin zullen wij opnieuw veel aandacht besteden aan de uitoefening van wettelijke taken door zelfstandige instellingen. Wij hopen in de komende periode onder andere onderzoek te doen naar de concrete prestaties van organisaties of ketens van organisaties. De ombudsman doet dat al, door zijn niet aflatende en welkome aandacht voor de bejegening van burgers.
Wij zullen hierbij onze eigen invalshoek kiezen, bijvoorbeeld
door de wettelijke taken van één of meerdere instellingen als
uitgangspunt te nemen en de prestaties daaraan te relateren.
Daarbij vertrouwen wij op voortzetting van de hechte samenwerking
die wij de afgelopen tien jaar mochten opbouwen met vele
instellingen en hun bestuurders. Onze rapporten dragen er de
vruchten van. En eerlijk gezegd verheugen wij ons ook op die
samenwerking, en op de kans daarmee met u bij te dragen aan een
samenleving waarin publieke taken zorgvuldig, doeltreffend, en met
passie worden vervuld.
Ik wens u een geslaagd congres.
Het ZBO-register (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) bevat informatie over zelfstandige bestuursorganen in Nederland. Het register geeft een overzicht van de ZBO's en biedt daarnaast informatie over kerngegevens per ZBO.
Dossier | 10-04-2009
De Algemene Rekenkamer organiseerde op 29 oktober 2009 een congres over toezicht en verantwoording.