Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Publicaties Toespraken

Toespraak bij crematieplechtigheid van oud-president Frans Kordes

Toespraak van Saskia J. Stuiveling, uitgesproken bij de crematieplechtigheid van oud-president Frans Kordes, 29 september 2011.

Beste kinderen van Frans en Riet, schoonkinderen, kleinkinderen, verdere familie, vrienden en andere aanwezigen

Bij een plechtigheid als deze probeert de familie een zo compleet mogelijk beeld van hun geliefde overledene te geven. Eigenlijk zou het alleen over emoties moeten gaan. Maar een mens is meer dan alleen gezinsmens – hij opereert ook in de samenleving -  en in het geval van Frans Kordes is dat op z’n zachtst gezegd niet onopgemerkt gebleven.

Mij is vooral gevraagd iets over die “openbare” Frans Kordes te zeggen en ik doe dat met heel veel respect voor zijn verdiensten. Iets van die verdiensten zal ik ook belich­ten, maar laat u door het wat zakelijke karakter van die verdiensten niet  op het ver­keerde been zetten. Verdiensten als die van Frans Kordes zijn alleen te duiden vanuit zijn passie voor de publieke dienst, zijn passie voor ordelijkheid, netheid en systema­tiek. Daarbij was hij buitengewoon ijverig en plichtsgetrouw.

Bij al deze voortreffelijke eigenschappen waren er natuurlijk ook wel een paar kleine zorgpuntjes: hij nam zichzelf wel eens iets té serieus en met al die haantjes in Den Haag gaf dat wel eens….eh ongemakkelijke situaties. En je moest hem ook wel eens helpen om in te zien dat niet iedereen een kloon van hem of – voor vrouwen - van Riet was. Met mijn dagelijkse aanwezigheid bijvoorbeeld heeft hij de eerste twee maanden moeite gehad, maar - en dat tekent hem ook – je vraagt belet, hij luistert geconcen­treerd met dat even gebogen hoofd alsof de zwaartekracht het gaat winnen – hij wikt en weegt en besluit het radicaal anders te doen. Vanaf dat moment hebben wij uitslui­tend buitengewoon plezierig samengewerkt. En ik durf rustig te stellen dat de zeven jaar presidentschap van de Rekenkamer tot zijn gelukkigste werkjaren kunnen worden geteld. Dat moet voor hem een opluchting geweest zijn want de voorafgaande eerste drie jaren bij de Rekenkamer waren dat beslist niet. Hij barstte van de ideeën, ontwik­kelde een groeiend gevoel van urgentie: er móest wat veranderen….

Zijn presidentschap markeert – overigens zonder dat hij en wij dat zo exact toen beseften -  het definitieve einde van de Franse invloed en de entree van de Angelsak­sische, systeemgerichte aanpak.

De departementen liepen járen en jaren achter met hun jaarrekeningen, en de Reken­kamer liep bij het onderzoeken van die rekeningen daar nog weer op achter.

Een treurige situatie.

Onder Kordes’ leiding en bezielende uitleg – achter gesloten deuren - in de Tweede Kamer werd de Commissie voor de Rijksuitgaven – toen voorgezeten door Maarten Engwirda – warm gemaakt voor het idee dat er absoluut iets, en wel iets ingrijpends moest gebeuren. Onder leiding van Maarten Engwirda werd vervolgens – in het open­baar - de minister van Financiën Ruding het vuur na aan de schenen gelegd.

Besloten werd tot de zogenoemde Operatie Comptabel Bestel. Inhoud van de operatie: alle departementen moesten hun administratieve organisatie bij de tijd brengen, be­schrijven en vervolgens ook volgens die regels gaan functioneren. Alle departementen kregen verplicht een eigen interne accountantsdienst, zij moesten hun jaarrekeningen gaan opstellen en de Rekenkamer moest bij de jaarrekeningen  rapporten schrijven vóór 1 september van het jaar er op. Voor de operatie was vijf jaar uitgetrokken. Dat is niet helemaal gehaald, maar toen Frans met pensioen ging was het voor elkaar. Die hele periode hebben Ministerie van Financiën, Tweede Kamer en Algemene Reken­kamer gedrieën samen opgetrokken – nooit eerder vertoond en daarna – helaas - ook niet meer herhaald. Kordes heeft het land daarmee een onschatbare en in mijn ogen tot op de dag van vandaag zwaar onderschatte dienst bewezen. Ik hoop dat misschien door de problemen met de Griekse boekhouding er bij de rijksdienst nog eens nostalgie gaat ontstaan naar deze periode van de operatie Comptabel bestel.

Frans – een andere verdienste van hem – zag die Europese dimensie ook toen al voor ons werk aan belang toenemen. In het gedenkboek bij ons 175-jarig bestaan in 1989 schrijft hij zelf over het Europese integratieproces: “De geschetste Europese ontwikke­lingen zullen ook de controleorganen in de gemeenschap niet ongemoeid laten” en schetst hoe hij denkt dat afstemming tussen de verscheidene  nationale niveaus en het ene Europese  zich zal gaan ontwikkelen. Dit overigens in de situatie van het Europa van nog maar twaalf landen. En een van zijn wapenfeiten is dat hij bij gelegenheid van dat 175-jarig bestaan alle collega’s uit die elf landen én de Europese Rekenkamer voor een vergadering naar Den Haag weet te halen.

Het moest natuurlijk een feestje worden, en liefst een beetje zijn feestje. Maar ja, dat moet je dan wel een beetje gegund worden. Ik stond er bij en keek ernaar en leed met Frans mee – het was een tenenkrommende bijeenkomst, als egeltjes vrijen, al die ui­terst onafhankelijke types onder voorzitterschap van de Franse collega, de Zonne­koning van de onafhankelijkheid. Het was gedurfd  én nodig – maar de visie van Kordes bleek  wel heel erg voor de muziek uit te lopen…

Op een geheel ander terrein behoorde  Frans tot de voorhoede zowel in visie áls in ervaring: automatisering.

Bij de marine was hij de grondlegger van de automatisering van de salarisadmini­stratie, de bevoorrading en het materieel. Hij werkte hierbij met een strakke, systema­tische coördinatie via projectgroepen en stuurgroepen. Dat klinkt nu, anno 2011, als heel logisch, maar in de jaren 60-70 was het volstrekt nieuw. Na zijn overstap naar Binnenlandse Zaken legde hij zich helemaal toe op de introductie van automatisering rijksdienstbreed.

Met die expertise gewapend bracht hij de moderne tijd binnen bij de Rekenkamer: er kwam een bureau automatiseringsonderzoek dat onder zijn persoonlijke bescherming intern uitgroeide tot het grootste bureau. En hoewel dat bureau niet meer bestaat, zijn we nog steeds op dit gebied een van de toonaangevende instanties. Frans – ik weet het zeker - zou genieten van de snelle ontwikkelingen op dit vakgebied – van mechanise­ring, via automatisering en ICT, naar informatisering in meer brede zin - en er ook volop aan mee doen. Want de basis hiervoor heeft hij gelegd.

Ik heb mij bewust beperkt – want er is nog veel meer, de archiefwereld bijvoorbeeld - tot drie gebieden: Comptabel bestel, Europa en automatisering. Dat was de inhoud van zijn werk.

Maar hoe denken de mensen die destijds met hem hebben gewerkt over hem? Dankzij een combinatie van klassieke en moderne techniek weten we dat: we hebben in ons gebouw een condoleanceregister liggen, maar ook op ons intranet een condoleancebox geopend. De condoleances gaan over zijn integriteit en over de moed waarmee hij de Algemene Rekenkamer in duidelijke taal op de kaart heeft gezet.

En ze gaan ook over zijn menselijke kant, zijn interesse voor zijn naaste medewerkers. Want hij was ook gewoon aardig.

Aardig voor zijn directe omgeving  en oprecht hartelijk voor zijn collega’s.

Dag Frans, dank je wel.

Sjs/ 29.09.11

 

Volledige versie