Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Publicaties Toespraken

Big Improvement Day 2010

Toespraak uitgesproken door Saskia J. Stuiveling op Big Improvement Day 2010 (dinsdag 19 januari 2010).

Alleen het gesproken woord geldt.

 

Wullah, poetry poet, let mi takki you 1 ding:
di trobbi hier is dit
Ben van me eigen now zo 66 jari & skerieus ben geen racist, aber
Alle josti op een stokki, uptodate, wats deze shit? Ik zeg maar zo,
Mi was nog maar een breezer als mi moeder zo zei:
azizi , doe gewoon jij , doe je gekke shit genoeg, wees beleefd, maak geen tsjoeri
toon props voor je brada, zeg “wazzup meneer”, “fawaka”- en duh
beetje kijken op di smatjes met ze toetoes is no trobbi 
beetje masten, beetje klaren & kabonkadonk is toppi

Dit, dames en heren, en goedemorgen, zijn de openingszinnen van een veel langer gedicht van de dichter des vaderlands Ramsey Nasr, getiteld: “Rotterdam 2059 , mi have een droom”. Een van mijn goede voornemens voor 2010 is dat ik dit gedicht op afficheformaat mooi laat afdrukken en in mijn werkkamer binnen mijn blikveld ga ophangen. Dan kan ik er elke dag even naar kijken, want dit gedicht houdt mij scherp. Het houdt mij scherp op de erkenning, dat we leven op een breuklijn in de tijd. We betreden met z’n allen een nieuwe werkelijkheid – en we hebben elkaar hard nodig om daar het beste van te maken. 

Om mijn “breuklijn”- besef met u te kunnen delen grijp ik terug op een studie van Margaret Mead uit 1970. Margaret Mead leefde van 1901 tot 1978, en was een begenadigd cultureel antropologe. Zij bestudeerde de relatie tussen generaties: hoe groeit de jeugd op en hoe worden normen en waarden van de ene generatie overgedragen op de volgende generatie. Culturele antropologie bestudeerde vooral zeg maar “exotische“ volken en haar eerste studies gaan dan ook over de opgroeiende jeugd van het eiland Samoa. Maar Margaret Mead stapte in haar latere jaren over op het met behulp van culturele antropologie duiden van ontwikkelingen dichter bij huis, de Westerse cultuur.
In 1970 publiceerde zij een kleine studie geheten “Culture en commitment”. Ook deze studie houdt zich bezig met de overdracht van normen en waarden van de ene generatie op de andere. Zij was geïntrigeerd door de cultuur in Amerika van bepaalde groepen landverhuizers uit Europa. Waarom houden landverhuizers vast aan hun oude cultuur en integreren ze moeizaam in hun nieuwe samenleving. Ze had daarbij met name het oog op groepen met een bepaalde religieuze achtergrond zoals bijvoorbeeld de Amish, Hernhutters, Quakers. De Old Order Amish houden tot op de dag van vandaag vast aan hun afwijzing van moderne ontwikkelingen, gebruiken nog steeds paard-en-wagen, dragen traditionele kleding, gebruiken geen electriciteit, telefoon, radio of televisie en runnen hun boerenbedrijven op de oude ambachtelijke manier. De grootste groep van hen leeft in  Pennsylvania vlak buiten Philadelphia, inmiddels overigens uitgegroeid tot een toeristische attractie volgens de snit Volendam – maar dat terzijde.


Terug naar Margaret Mead. Van haar heb ik geleerd, dat er horizontale kinderen en verticale kinderen zijn. Verticale kinderen zijn kinderen die in een door de generaties heen stabiele gemeenschap opgroeien. Verticaal, in de zin dat normen en waarden van generatie op generatie “naar beneden“ doorgegeven worden, en zich vloeiend ontwikkelen. Veranderingen gaan geleidelijk: de kinderen vragen aanpassingen, de ouders wikken en wegen, maar het is de oudste, derde generatie die top down uiteindelijk openingen maakt voor die veranderingen. Horizontale kinderen zijn kinderen die opgroeien zonder dit geleidelijk patroon. De verticale overdracht is gecoupeerd. De aanleiding van die “knip” is iets ‘drastisch’ zoals migratie, oorlog, een natuurramp maar ook snelle technologische ontwikkeling. De horizontale kinderen hebben geen rolmodel aan hun ouders – na migratie bijvoorbeeld - heeft het voor zo’n kind geen zin om naar de ouders te kijken om van hen te horen hoe je je op school moet gedragen. Want die school zit niet in de levenservaring van de ouders. Maar die kinderen hebben ook geen houvast aan het rolmodel van iemand uit het ontvangende land: die hebben immers migratie niet als levenservaring.

Dus wat doen die kinderen: die zijn elkaars rolmodel, ze vinden als leeftijd- en ervaringsgenoten onder elkaar horizontaal uit hoe te leven, ze ontwikkelen hun eigen normen en waarden. Hun rolmodel is de peergroep. Nederland is door de oorlog en dus na de oorlog een land geworden van heel veel horizontale kinderen – de hele babyboom generatie ongeveer. Terwijl onze ouders – ik ben zelf een hele vroege babyboomer uit mei 1945 – terwijl onze ouders probeerden het land weer op te bouwen naar het beeld van vóór de oorlog, letten wij kinderen vooral op elkaar. Is het einde van de oorlog de breuklijn, de breuk toen kwam in de jaren zestig, toen wij babyboomers de jaren des onderscheids bereikten, jonge twintigers.

We zijn veertig jaar verder en nu is mijn generatie de “ruling class” – kijk maar hoe vorstelijk ik hier op deze troon zit.

Maar het is ons niet gegeven de eerste generatie te zijn van een zich opnieuw vestigende verticale samenleving. Opnieuw is sprake van een breuklijn en we hebben elkaar hard nodig om daar het beste van te maken, om een breuk à la de jaren zestig vóór te zijn. Een breuklijn ditmaal niet door een oorlog maar door de combinatie van migratie naar ons land, snelle technologische ontwikkeling en de dreiging van een wereldwijde natuurramp.

De “ruling class” van nu kan maar in zeer beperkte mate rolmodel zijn voor de volgende generatie:

  • wij zijn geen migranten;
  • wij zijn opgegroeid met radio en later televisie, niet met computer, internet en mobiele telefoon;
  • wij hebben zonder het voldoende te beseffen de wereldwijde natuurramp mede veroorzaakt – weinig geschikt materiaal voor een rolmodel lijkt me.

De opgroeiende generatie is dus opnieuw aangewezen op zichzelf: het zijn horizontale kinderen die het onder elkaar moeten uitvinden. In mijn ogen zou het een geweldige verbetering zijn – een big improvement – als zowel de uitfaserende generatie aan deze kant van de breuklijn - ik dus, maar wellicht ook een deel van de zaal - als de infaserende generatie zich zou realiseren dat wij beiden, beide generaties te maken hebben met een pionierssituatie. Fantastisch, uitdagend, inspirerend.
Aan mijn generatie de taak niet om Nederland te houden zoals het is, niet om onze instituties met tanend gezag koste wat het kost overeind te houden, geen toeristische trekpleister à la Volendam van Nederland te maken – aan mijn generatie de taak om alle kennis die we hebben te delen met de twintigers en dertigers zodat zij er hun voordeel mee kunnen doen voor het Nederland dat zij aan het opbouwen zijn – topdown aanreiken over de breuklijn heen, maar zeker niet opdringen laat staan opleggen. Aan de generatie aan de andere kant van de breuklijn de taak om hun Nederland verder uit te bouwen - met of zonder onze hulp en desnoods wat mij betreft de hele dag twitterend.


Tot slot, de laatste regels van het gedicht “Mi have een droom” van Ramsey Nasr, een horizontaal kind dat ons deelgenoot maakt van zijn – zeer herkenbare huisje-boompje-beestje – droom, zij het in de Rotterdamse straattaal van zijn generatie:

tantoe vroeger, daar have ik een droom

blakka-zwart & wit lijk snow, want daar bleef alles lijk het was

daar zijn da pieps nog keurig & strak – mi have een droom van brekend glas

ik droom achteruit, van een stittie die stilstaat &  thuis op mi wacht.

 

Volledige versie