U bevindt zich op: Home › Publicaties › Onderzoeksrapporten
De Algemene Rekenkamer heeft onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het Nederlandse innovatiebeleid. De uitkomsten van dit onderzoek publiceerden we op 28 september 2011.
Rapport Innovatiebeleid
PDF, 2131 kB
Onze hoofdconclusie is dat de doeltreffendheid en doelmatigheid van het innovatiebeleid in de periode 2003-2010 niet zijn vast te stellen. Zo hebben we niet kunnen vaststellen of de verdubbeling van de uitgaven aan innovatiebeleid van €1,8 miljard in 2003 naar € 3,7 miljard in 2010 heeft geleid tot vergroting van het innovatief vermogen.
Ook de coördinatie door de minister
van Economische Zaken op de vergroting van het innovatief vermogen
was gebrekkig. Departementen hebben een eigen innovatiebeleid
kunnen voeren, waarvan de bijdrage aan de vergroting van het
innovatief vermogen onduidelijk is. Het aantal subsidieregelingen
om innovaties te bevorderen, is de afgelopen jaren sterk
toegenomen. De samenhang tussen regelingen en doelen ontbreekt
echter.
In meeste evaluaties ontbreekt essentiële informatie voor
beoordeling doeltreffendheid en doelmatigheid van uitgaven
innovatiebeleid. Zo geven de meeste evaluaties nauwelijks inzicht
in de doeltreffendheid van de regeling of het instrument: de
vergroting van het innovatieve vermogen. In de periode 2003-2010
ontbreken beleidsdoorlichtingen die doeltreffendheid van
innovatiebeleid integraal beoordelen. Ook wordt in evaluaties niet
ingegaan op alle economische omgevingsfactoren. Verder is er
minimale aandacht voor de aansluiting van Nederlandse
innovatie-instrumenten op Europese innovatie-instrumenten en
-doelstellingen.
In ons rapport bevelen we de
minister Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de
systeemverantwoordelijkheid en coördinatie voor innovatiebeleid
nadrukkelijk in te vullen bij de uitwerking van het nieuwe
bedrijvenbeleid (de opvolger van het innovatiebeleid). Zorg dat per
topsector de verantwoordelijke minister een concrete en meetbare
actieagenda opstelt, met daarin de bijdrage aan de vergroting van
het innovatief vermogen. Laat in deze actieagenda’s ook
omgevingsfactoren aan orde komen. Zorg voor de samenhang tussen
actieagenda’s onderling en met het generieke innovatiebeleid.
Bovendien bevelen we de minister aan de doeltreffendheid en
doelmatigheid van (oude en nieuwe) regelingen en instrumenten in
bedrijvenbeleid aannemelijk en toetsbaar te maken. Toets deze aan
het hoofddoel van het beleid.
Voer periodiek beleidsdoorlichtingen uit om doeltreffendheid van
het gehele innovatiebeleid vast te stellen. Betrek tot slot bij
instrumentevaluaties en beleidsdoorlichtingen relevante
omgevingsfactoren, waaronder het Europese innovatiebeleid.
De minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie geeft in zijn reactie op ons onderzoek aan
dat hij de hoofdlijnen en conclusies van het rapport onderschrijft.
Voor acties en instrumenten uit de topsectoragenda’s gaat hij
streefwaarden formuleren. Prestaties worden gemonitord met
indicatoren. Bovendien gaan omgevingsfactoren een integraal
onderdeel vormen van het bedrijvenbeleid. Dit komt aan de orde in
de tweede bedrijfslevenbrief van de minister.
Ook gaat de minister het topsectorenbeleid en generiek beleid in
onderlinge samenhang inzetten. De uitwerking hiervan komt eveneens
aan de orde in de tweede bedrijfslevenbrief.
Bij het meten van resultaten van in te zetten instrumenten wordt de
effectiviteit van instrumenten in evaluaties verankerd. De minister
zegt toe een onafhankelijk bureau het bedrijfslevenbeleid te laten
doorlichten. Omgevingsfactoren van invloed op effectiviteit van het
instrument worden meegenomen in instrumentevaluaties. Verder zegt
de minister toe bij beleidsdoorlichtingen alle factoren te
betrekken die van invloed zijn op de te bereiken doelstelling.
In ons nawoord constateren we dat de minister terughoudend is met
het nadrukkelijker invullen van zijn coördinerende rol. In zijn
reactie spreekt hij niet tegen dat de coördinatie van het
innovatiebeleid gebrekkig was. Hij gaat echter niet in op onze
aanbeveling om de coördinatie nadrukkelijker vorm te geven.
Minimaal zouden de betrokken departementen prestaties en effecten
vergelijkbaar in kaart moeten brengen. Alleen dan heeft de
coördinerend minister een integraal beeld van de resultaten van het
hele innovatiebeleid.
Verder constateren we dat de minister acties aankondigt om de
effectiviteit te meten van zijn beleidsinstrumenten. De minister
merkt echter op dat het meten van effecten lastig blijft. Om in de
toekomst meer zicht te krijgen op de effectiviteit van de uitgaven,
wijzen we op de mogelijkheid van het volgen van geldstromen die de
Britse en Amerikaanse overheid hanteren en waarmee positieve
ervaringen zijn opgedaan (zie respectievelijk http://www.recovery.gov/ en
http://data.gov.uk/openspending).
De essentie van dit principe is het beeldend en met nieuwe
webtechnieken dynamisch in kaart brengen waar de innovatiegelden in
Nederland naartoe gaan, wie innovatiegelden ontvangen, wat zij
daarmee doen en welke resultaten daarmee zijn bereikt.
Reactie |
28-09-2011
|
PDF, 976 kb
|
Innovatiebeleid
Kamerbrief | 22-03-2012
Kamerbrief | 22-03-2012
Kamerbrief | 22-03-2012
Kamervragen |
25-10-2011
|
PDF, 612 kb
|
Innovatiebeleid
Bijlage |
28-09-2011
|
PDF, 58 kb
|
Innovatiebeleid
Reactie |
28-09-2011
|
PDF, 976 kb
|
Innovatiebeleid
Persbericht | 28-09-2011 | Innovatiebeleid
Het is niet duidelijk of de verdubbeling van de rijksuitgaven voor het innovatiebeleid effect heeft gehad. Dat blijkt uit het rapport ‘Innovatiebeleid’ dat vandaag verschijnt. Sinds 2003 hebben meerdere kabinetten geprobeerd innovatie in Nederland te stimuleren. Vanaf 2003 steeg het budget van 1,8 miljard per jaar tot 3,7 miljard in 2010. Het kabinet-Rutte/Verhagen zet het innovatiebeleid voort onder de naam ‘Bedrijvenbeleid’ en heeft op Prinsjesdag aangekondigd de uitgaven aan innovatie te willen verhogen tot € 3,8 miljard in 2015.
Rapport |
28-09-2011
|
PDF, 2131 kb
|
Innovatiebeleid
28-09-2011 |
PDF, 2131 kB