Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Publicaties Handreikingen

Normeren en begrenzen van reserves van instellingen bij het Rijk

Deze handreiking beperkt zich tot het vraagstuk van normeren en begrenzen van reserves (eigen vermogen). De vorming van voorzieningen wordt slechts zijdelings behandeld waar het gaat om de onderbouwing ervan en de noodzakelijke afbakening ten opzichte van het eigen vermogen. Deze handreiking is met name gericht op het rijk en toezichthouders, maar kan ook voor instellingen van nut zijn. Het hierin neergelegde algemene kader is een neerslag van literatuur en praktijk op dit moment. Het zal in de praktijk verder ontwikkeld en in specifieke gevallen nader ingevuld moeten worden.


Deze handreiking is opgesteld in het kader van het Rekenkameronderzoek naar vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk, de zogenoemde rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT's). Uit hoofde van hun rechtspersoonlijkheid kunnen deze instellingen in veel gevallen reserves en voorzieningen vormen. De omvang van de reserves zou een belangrijk aandachtspunt van beleid van het rijk moeten zijn, ook bij vergaande financi le zelfstandigheid van de instelling (zie paragraaf 2). Minimaal zal het rijk en/of de toezichthouder de vermogensontwikkeling moeten monitoren en daarvoor normen moeten ontwikkelen. In veel gevallen zal het rijk ook grenzen moeten aangeven waarbinnen eigen vermogens zich mogen ontwikkelen en moeten vaststellen welke acties bij over- of onderschrijding van deze grenzen zullen worden ondernomen. Het rijk dient tevens vast te stellen of en onder welke voorwaarden instellingen vreemd vermogen mogen aantrekken, hoe zij dienen om te gaan met vermogensoverschotten (beleggen en uitlenen) en -tekorten en hoe om te gaan met uit private activiteiten opgebouwde eigen vermogens.

Deze handreiking beperkt zich tot het vraagstuk van normeren en begrenzen van reserves (eigen vermogen). De vorming van voorzieningen wordt slechts zijdelings behandeld waar het gaat om de onderbouwing ervan en de noodzakelijke afbakening ten opzichte van het eigen vermogen. Ook de liquiditeit van een instelling, van belang voor het beoordelen van de financi le positie op korte termijn, blijft in deze handreiking buiten beschouwing.

De handreiking is opgesteld op basis van onderzoek van literatuur en de tot op heden ontwikkelde beleidspraktijk. Tevens is gebruik gemaakt van inzichten die zijn opgedaan in een ronde tafelgesprek over het thema met een aantal externe deskundigen uit wetenschap en praktijk.

In het volgende wordt allereerst ingegaan op de wenselijkheid van het normeren en begrenzen van reserves (paragraaf 2), vervolgens op de wijze waarop normen en grenzen bepaald kunnen worden (paragraaf 3). Daarbij wordt geredeneerd vanuit de twee functies die het eigen vermogen kan vervullen, namelijk de financierings- en bufferfunctie. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag welke reserves begrensd dienen te worden (paragraaf 4) en welke acties bij over- of onderschrijding van grenzen ondernomen kunnen worden (paragraaf 5). Tot slot worden enige gevallen behandeld waarvoor het afspreken van een (vaste) bandbreedte minder zinvol is (paragraaf 6). In bijlage 7 is een overzicht van geraadpleegde literatuur opgenomen.

Deze handreiking is met name gericht op het rijk en toezichthouders, maar kan ook voor instellingen van nut zijn. Het hierin neergelegde algemene kader is een neerslag van literatuur en praktijk op dit moment. Het zal in de praktijk verder ontwikkeld en in specifieke gevallen nader ingevuld moeten worden.

 

Volledige versie