Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Publicaties Dossiers

Huidig onderzoek: Kredietcrisis

Onze bevoegdheden

Schema bevoegdheden

De bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer op grond van de Comptabiliteitswet 2001 (CW) kunnen, in relatie tot de interventies en arrangementen van het Ministerie van Financiën, in een schema worden samengevat.

Schema met bevoegdheden Algemene Rekenk
Omhoog

Beschrijving bevoegdheden

Het Ministerie van Financiën heeft door de interventies en arrangementen in het kader van de kredietcrisis een financiële relatie gekregen met een aantal financiële instellingen. Deze financiële relatie brengt met zich mee dat de financiële instellingen informatie aan het ministerie moeten verstrekken. Om de publieke belangen te waarborgen, zal het ministerie ook controle en toezicht uitoefenen op de voorwaarden die voortvloeien uit de financiële relatie met de financiële instellingen. Naast deze specifieke relatie met financiële instellingen, heeft het Ministerie van Financiën uiteraard ook functionele relaties met de toezichthouders in de financiële sector: de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB).

Op grond van artikel 87 CW is de Algemene Rekenkamer bevoegd om onderzoek in te stellen bij alle dienstonderdelen van het Rijk, voor zover zij een en ander nodig acht voor het uitoefenen van haar taak. Wat betreft de interventies en arrangementen van het Ministerie van Financiën in het kader van de kredietcrisis, heeft de Algemene Rekenkamer dus de bevoegdheid om hiernaar onderzoek te doen bij het ministerie.

Op grond van artikel 91 CW, lid 1a heeft de Algemene Rekenkamer bevoegdheden bij naamloze en besloten vennootschappen, waarvan de staat het gehele of nagenoeg het gehele geplaatste aandelenkapitaal rechtstreeks houdt.
Bij naamloze en besloten vennootschappen waarvan de staat rechtstreeks ten minste 5% houdt van het geplaatste aandelenkapitaal, heeft de Algemene Rekenkamer beperkte bevoegdheden op grond van artikel 91 CW, lid 1b . Bij de laatstgenoemde vennootschappen kan de Algemene Rekenkamer geen onderzoek ter plaatse verrichten.

Op grond van artikel 91, lid 1c CW heeft de Algemene Rekenkamer (beperkte) bevoegdheden bij rechtspersonen, commanditaire vennootschappen en vennootschappen onder firma waaraan de staat of een derde voor rekening of risico van de staat rechtstreeks of middellijk een subsidie, lening of garantie heeft verleend. In het geval van leningen, subsidies en garanties heeft de Algemene Rekenkamer echter geen bevoegdheden als het gaat om financiële ondernemingen (zie artikel 91, lid 16 CW).
De AFM is belast met het gedragstoezicht op banken en verzekeraars en DNB is belast met het prudentieel of systeemtoezicht. Gedragstoezicht is gericht op ordelijke en transparante financiële marktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten. Prudentieel toezicht is gericht op de soliditeit van financiële ondernemingen en het bijdragen aan de stabiliteit van de financiële sector.
Op grond van artikel 91 CW heeft de Algemene Rekenkamer bevoegdheden ten aanzien van AFM en DNB als toezichthouders in de financiële sector. Voor zover het taken van DNB betreft die betrekking hebben op de uitvoering van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, geldt artikel 91 CW niet (zie artikel 91, lid 3 en 4 CW), maar gelden de algemene bevoegdheden van artikel 87, lid 1 CW. In de memorie van toelichting van de CW 2001 is overigens aangegeven dat de Algemene Rekenkamer niet bevoegd is kennis te nemen van gegevens van DNB die herleidbaar zijn tot individuele personen of ondernemingen.

Omhoog
 

Volledige versie