U bevindt zich op: Home › Over de Algemene Rekenkamer › Wat doen we? › Doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoek › Ontwikkeling doelmatigheidsonderzoek
De Algemene Rekenkamer onderzoekt sinds eind jaren 90 de doelmatigheid (efficiëntie) en doeltreffendheid (effectiviteit) van het gevoerde beleid. Het is één van de wettelijke taken van de Algemene Rekenkamer (Comptabiliteitswet 2001, artikel 85). Ook vóór de jaren 90 deed de Algemene Rekenkamer onderzoek naar doelmatigheid.
De instructiewet 1814 was de allereerste wetgeving voor de Algemene Rekenkamer en gaf haar het mandaat voor een beperkte vorm van doelmatigheidsonderzoek. Deze vorm was vooral gericht op het zuinig omgaan met Rijksgeld: werden goederen wel op de voordeligste manier ingekocht? Waren er geen aankopen van zaken die niet of slecht benut werden? Naast opmerkingen over de rechtmatigheid van uitgaven rapporteerde de Algemene Rekenkamer regelmatig over kleine en grote ondoelmatigheden die ze (meestal) in het kielzog van het rechtmatigheidsonderzoek aantrof.
OmhoogDe Algemene Rekenkamer had de plicht om ondoelmatigheden te rapporteren die werden aangetroffen als afgeleide van de rechtmatigheidscontrole. In de Comptabiliteitswet van 1927 werd ook de doelmatigheidscontrole een op zichzelf staand onderdeel van de taak van de Algemene Rekenkamer. Alleen was de definitie van doelmatigheidscontrole nog zeer nauw: de Algemene Rekenkamer moet zoveel mogelijk nagaan ‘of de rijkseigendommen, daarvoor vatbaar, in voldoende mate productief zijn’ (artikel 60, lid 1, Comptabiliteitswet 1927). In de jaren rond de Tweede Wereldoorlog was bijvoorbeeld de mechanisering van administraties (met ponskaarten) een dankbaar object voor doelmatigheidsonderzoek. In de jaren zestig vormde de Algemene Rekenkamer onder de titel van deze oude wet al specifieke onderzoekseenheden die naar de doelmatigheid van organisaties en de opkomende automatisering keken.
OmhoogEen nieuwe wet waarvan de totstandkoming een jaar of dertig had
geduurd, breidde voor de Algemene Rekenkamer de grondslag voor het
doen van doelmatigheidsonderzoek verder uit (doelmatigheid beheer,
organisatie en functioneren van ’s Rijksdienst: artikel 74, lid 1,
Comptabiliteitswet 1976). Het woord ’beleid’ kwam nog niet
voor in de wettekst, maar dat belette de Algemene Rekenkamer niet
drie bureaus op te richten die onderzoek deden naar de
‘beleidsdoelmatigheid’. In deze periode begon ze ook het
doelmatigheidsonderzoek te professionaliseren en handleidingen te
ontwikkelen, het was tot dan toe meer een kwestie van
‘fingerspitzengefühl’.
In de jaren tachtig waren er diverse typen van
doelmatigheidsonderzoek te onderscheiden. Om te beginnen was het
onderzoek een aantal jaren vooral gericht op waarborgen: is er een
goed plan?; wordt gekeken naar de uitvoering van het plan en worden
uitkomsten geëvalueerd? Dit alles in de vooronderstelling dat bij
een goed gemanaged proces, de uitkomsten voor het beleid ook wel
goed zullen zijn. Ander type onderzoek was het zogenaamde
‘benchmarking’. Hierbij werden (delen van) ministeries met elkaar
vergeleken op zoek naar ‘best practices’. Daarbij konden de
ministeries die minder goed presteerden leren van de ministeries
die beter presteerden. Ook werd in onderzoek gebruik gemaakt van
voor de Algemene Rekenkamer nieuwe onderzoekstechnieken, zoals
interviewtechnieken, vragenlijsten en statistische analyses.
De vraag of beleidsdoelen werden gehaald behoorde tot de jaren negentig niet tot de reikwijdte van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Met name het onderzoek naar de organisatorische waarborgen begon vragen op te roepen: hoe erg is het eigenlijk dat aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan of dat waarborgen niet toereikend zijn? In hoeverre zijn procedureel-organisatorische voorzieningen van invloed op het behalen van een doel of effectiviteit? Ondanks een negatief oordeel van de Algemene Rekenkamer konden de gecontroleerden soms aantonen goede beleidsresultaten gehaald te hebben. De vraag of men de goede dingen doet, werd belangrijker dan de vraag of het goed werd gedaan. Een wijziging in de Comptabiliteitswet introduceerde het woord ‘beleid’ binnen het mandaat van de Algemene Rekenkamer: om aandacht te wijden aan de doelmatigheid van beheer, organisatie en beleid van het Rijk (Artikel 57, lid 1, Comptabiliteitswet na de vijfde wijziging in 1992).
OmhoogEind jaren negentig begon de Algemene Rekenkamer op beperkte schaal met effectiviteitsonderzoek naar de gevolgen van het beleid. Dit bleek uiterst lastig te zijn doordat:
Sinds 2001 is de wettelijke taak van de Algemene Rekenkamer op
het gebied van doelmatigheids- en
doeltreffendheidsonderzoek geformuleerd als
onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
gevoerde beleid. Dit is verankerd in de strategie van de Algemene
Rekenkamer.
In het rapport “Tussen beleid en uitvoering” (maart 2003)
constateerde de Algemene Rekenkamer op basis van een groot aantal
eerdere doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoeken dat er
sprake is van een overwaardering van de beleidsvorming en een
onderwaardering van de uitvoering, waardoor burgers geen “waar voor
hun geld” krijgen. In de strategie 2004-2009 van de Algemene
Rekenkamer werd voor performance audit* het presteren van
het openbaar bestuur als uitgangspunt genomen. Daarmee sluit de
strategie aan bij twee van de acht door de Verenigde Naties
onderscheiden kenmerken van goed openbaar bestuur, namelijk
“effectief en efficiënt” en “vraaggericht”.
In ons doeltreffendheidsonderzoek staat het maatschappelijk
probleem dat met het beleid moet worden opgelost en het perspectief
van de burger centraal. Daarvoor kijken we naar het beleid én de
uitvoering van het beleid als belangrijke verklaringen voor
achterblijvende beleidsresultaten. Aan de ene kant gaan we na of
het plausibel is dat met het gevoerde beleid de beoogde resultaten
kunnen worden bereikt. Aan de andere kant kijken we naar de
uitvoering en de uiteindelijke effecten van het beleid: gebeurt wat
er is afgesproken en zijn de resultaten merkbaar in de samenleving?
* Het begrip performance audit (“audit
of the economy, efficiency and effectiveness with which the audited
entity uses its resources to achieve its goals”,
intosai-guidelines) wordt vrij algemeen gebruikt. Daarnaast
wordt bijvoorbeeld gesproken over comprehensive auditing en value-for-money auditing.
Onderzoek | 27-03-2003