U bevindt zich op: Home Nieuws overzicht Persberichten 2015 Doelen duurzame energie niet haalbaar zonder miljarden extra voor windmolens op zee of projecten in buitenland

Doelen duurzame energie niet haalbaar zonder miljarden extra voor windmolens op zee of projecten in buitenland

Subsidieregeling SDE+ goed instrument, toch valt resultaat tegen

Het is niet realistisch om te verwachten dat Nederland met de huidige inzet de afgesproken doelen realiseert van 14 % duurzame energie in het jaar 2020 en 16 % in 2023. Sleutelen aan het belangrijkste instrument, de subsidieregeling SDE+, zou onvoldoende soelaas bieden, omdat deze regeling op hoofdlijnen goed in elkaar steekt. Om alsnog de met andere EU-lidstaten en via het nationale Energieakkoord afgesproken doelen tijdig te bereiken zijn op korte termijn besluiten van de minister van Economische Zaken (EZ) nodig.

Dat schrijft de Algemene Rekenkamer op 16 april 2015 in het onderzoeksrapport Stimulering duurzame energieproductie (SDE+) – haalbaarheid en betaalbaarheid van beleidsdoelen. Uit het onderzoek blijkt dat het effectief kan zijn om in de komende twee jaar maximaal € 12,8 miljard extra te  reserveren voor nieuwe windmolenparken op zee bovenop de € 58,9 miljard die toch al opzij gezet moet worden (van 2011 tot 2023). Zo’n ophoging betekent voor een gemiddeld  Nederlands huishouden per jaar € 65 tot € 100 extra opslag op de energierekening.
Een alternatief is de SDE+-regeling zo wijzigen dat het mogelijk wordt ook projecten voor duurzame energie in andere EU-landen met Nederlands geld te subsidiëren. Dan is € 9,3 miljard extra nodig. Nadeel van deze optie is dat werkgelegenheidsvoordelen en kennisopbouw in Nederland wegvallen.
Er is ook beleid buiten de SDE+-regeling mogelijk. Andere opties, zoals meer energiebesparing, inzetten op innovatieve technologieën voor energieopwekking of het CO2-emissiesysteem in de EU aanpassen, lijken voor de korte termijn onvoldoende effect te sorteren of onhaalbaar te zijn. De kosten van het opkopen van overschotten aan duurzame energie in andere EU-lidstaten zijn lastig in te schatten. Zo’n ‘statistische uitruil’ lijkt overigens in strijd met het Energieakkoord uit 2013, omdat dit niet daadwerkelijk zorgt voor extra duurzame energie.

Lagere productie en minder uitgaven duurzame energie

De subsidieregeling SDE+ zit op hoofdlijnen goed in elkaar. Toch zal de regeling naar verwachting in 2020 34 % minder duurzame energie opleveren dan de minis-ter van EZ in 2013 voorzag. Als gevolg daarvan zal in dat jaar ruim € 800 miljoen minder subsidie worden uitgekeerd. Het tegenvallende resultaat van SDE+ komt ten dele omdat het ministerie er tevoren van uitgaat dat alle projecten de maximale  energieproductie realiseren. In werkelijkheid blijft de productie daar meestal onder zoals blijkt uit projecten die sinds 2008 rijkssubsidie krijgen. Het ministerie houdt met deze ‘onderproductie’ geen rekening bij het opstellen van budgetten. De energieproductie valt onder andere tegen door het moeilijk voorspel-bare karakter van aardwarmte en de beperkte beschikbaarheid van goede biomassa.

Eind 2013 waren 1.787 projecten voor energieopwekking goedgekeurd en heeft het Rijk zich verplicht tot € 6,2 miljard aan SDE+-subsidies. Deze worden pas uitbetaald als een project daadwerkelijk hernieuwbare energie opwekt. Valt de  energieproductie tegen, dan betaalt de rijksoverheid minder subsidie. De jaarlijkse uitgaven via de SDE+-regeling en voorgangers lopen naar verwachting op van circa € 750 miljoen in 2015 naar € 3 miljard in 2025.

Nederland streeft in internationaal verband naar een volledig duurzame energievoorziening in het jaar 2050. Voor 2020 en 2023 zijn concrete doelen afgesproken. De in opdracht van de minister van EZ uitgevoerde Nationale Energieverkenning 2014 laat zien dat in 2020 12,4 % van de opgewekte energie in Nederland zal komen uit hernieuwbare bronnen als zon, wind, aardwarmte en biomassa. In 2013 kwam 4,5 % van de energie die in Nederland verbruikt wordt uit hernieuwbare bronnen. Er was geen sprake van groei ten opzichte van 2012. Nederland is van alle EU-lidstaten het verst verwijderd van zijn nationale doel in 2020.
De Tweede Kamer zou een beter beeld van de ontwikkelingen met duurzame energie in het algemeen en SDE+ in het bijzonder kunnen krijgen als de minister jaarlijks inzicht geeft in hoeverre Nederland met SDE+ op koers ligt qua energie-productie en subsidie-uitgaven.

Reactie minister, nawoord Algemene Rekenkamer

De minister van EZ doet in reactie enkele toezeggingen. Zo zal hij de informatie-voorziening aan de Tweede Kamer verbeteren. Ook komt binnen afzienbare tijd het Energierapport 2015 waarin de SDE+ in een langetermijnstrategie wordt geplaatst. De minister meent dat de doelen van 14 % (in 2020) en 16 % (2023) tijdig gehaald kunnen worden. Ingrijpen vanwege de onderproductie vindt hij nog te vroeg. Al-vorens een besluit te nemen over aanvullende maatregelen, wil hij een evaluatie in 2016 van het Energieakkoord afwachten.
De Algemene Rekenkamer schrijft in haar nawoord dat recente aanpassingen van het beleid hooguit tot enigszins lagere kosten zullen leiden, niet tot meer productie van hernieuwbare energie. Een beslissing over aanvullende beleidsmaatregelen uitstellen tot 2016 zal te laat zijn om de doelen binnen het afgesproken tijdpad te halen. De geschetste alternatieven vragen nu om besluitvorming.

 

Volledige versie