U bevindt zich op: Home › Actueel › Onderzoeksrapporten
In de periode april-juni 2002 is onderzocht in hoeverre de ministeries beschikken over een bruikbaar systeem voor periodieke beleidsevaluaties en monitoring. Evaluatie en monitoring zijn nodig om de Tweede Kamer informatie te kunnen leveren over de beleidsresultaten en de bedrijfsvoering van een ministerie. Daarnaast kan een ministerie zo de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het eigen beleid meten, hetgeen onmisbare informatie vormt voor de verdere ontwikkeling van dat beleid.
De Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek Rijksoverheid (RPE), waarin de minister van Financiën voorschrijft hoe de ministeries evaluatie-instrumenten moeten inzetten, is door bijna alle departementen (het Ministerie van VROM is de enige uitzondering) vertaald naar een eigen regeling. Dit is een verbetering ten opzichte van de situatie in 2000. De Algemene Rekenkamer mist bij een aantal ministeries echter nog wel uitwerkingen van de RPE, die de beleidsdirecties handvatten geven voor een juiste toepassing.
Het toezicht op de uitvoering van de regeling door de centrale directies Financieel-Economische Zaken wordt nog niet goed ingevuld.
OmhoogDe departementen moeten op korte termijn de uitwerking van de RPE in checklists en dergelijke afronden. In de opzet van de evaluatiefunctie moet het toezicht door de directie FEZ nadrukkelijk een plaats krijgen. Verder zou het goed zijn (hoewel dit niet verplicht is) als de departementen voor beleidsevaluaties die niet onder de RPE vallen (zoals beleid zonder financiële consequenties en beleid dat uit premies wordt gefinancierd), dezelfde eisen zouden hanteren als voor evaluaties van beleid waarvoor de RPE-eisen wél gelden. De Ministeries van Defensie, OCenW en V&W zouden net als de overige departementen de 'benutting' van de resultaten van evaluatieonderzoek meer aandacht moeten geven.
OmhoogDe minister van Financiën heeft mede namens de overige ministers instemmend gereageerd op de conclusies en aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer. De ministers hebben elk ook afzonderlijk gereageerd op het onderzoek. Daarbij valt op dat de aanbeveling om de opzet van het toezicht duidelijk te beschrijven niet door alle ministeries wordt onderschreven.
Omhoog